*

 

Havo is geen 'VWO, maar dan makkelijker'

Hanne Obbink − 02/06/10, 22:18

Havo-leerlingen worden vaak gezien als vwo’ers, maar dan net net wat minder slim. Ten onrechte, vinden dertig scholen; de havo moet meer zijn dan een slap aftreksel van het vwo. „Vwo is voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, havo moet vhbo worden, voorbereidend hbo."

  • Het nieuwe vak haco zorgt voor veel plezier op het Cambreurcollege. (Koen Verheijden)

Een boterstick, zou dat niet handig zijn? Een groepje leerlingen op het Cambreurcollege in Dongen denkt van wel. Het moet een soort Pritt-stift worden, maar dan met boter in plaats van lijm. Nooit meer kliederen met boter die van je mes valt. Of te veel boter op je mes nemen en die dan terug moeten doen in het kuipje. Wat het groepje nog wel moet oplossen: die stick moet navulbaar worden, maar hoe voorkom je dat dat alsnog een knoeiboel wordt?

De leerlingen zitten in klas 3 van de havo en zijn bezig met een vak dat als ’haco’ op het rooster staat – een afkorting voor ’havisten competent’. Twee uur per week moeten ze in groepjes aan opdrachten werken. De laatste opdracht van dit schooljaar is: bedenk en ontwerp een product dat echt op de markt gebracht kan worden en maak daar een prototype van.

De boterstick is een van die producten. Een ander groepje werkt aan een ’schilderij voor blinden’, weer anderen maken een ’muziekmuts’, een muts met een mp3-speler erin. „Het moest iets handigs zijn, en niet te ingewikkeld”, legt leerling Michelle van Overveld uit. „En we luisteren allemaal wel eens naar muziek, dus vandaar.”

Het Cambreurcollege is een van de ongeveer dertig scholen die zich hebben verenigd in het samenwerkingsverband ’Havisten competent’. Het nieuwe vak haco is er het opvallendste resultaat van, maar uiteindelijk is het de bedoeling dat dat vak een vernieuwing van het hele havo- onderwijs op gang brengt.

Dat is nodig, vinden haco-scholen, want het gaat niet goed met de havo. Te veel havo-leerlingen slepen zich ongemotiveerd door hun schooltijd heen. En te vaak lopen zij vervolgens vast in het hbo.

Een paar cijfers bewijzen dat. Bijvoorbeeld het percentage zittenblijvers. In het hele voortgezet onderwijs ligt dat gemiddeld op 4 à 5. Maar in de derde klas van de havo blijft 8 procent zitten, in de vierde zelfs 16 procent. Eenmaal in het hbo wisselt een kwart van hen al in het eerste jaar van studie, meer dan mbo’ers en vwo’ers op de hogeschool. Daardoor duurt het ook langer voor zij een hbo-diploma halen.

Hoe dat komt? Dat ligt aan de specifieke kenmerken van havo-leerlingen, zeggen de haco-scholen, en aan onderwijs dat daar niet goed op inspeelt. „De havo is nog te veel een slap aftreksel van het vwo”, zegt Ton Sprangers directeur havo-vwo van het Cambreurcollege.

En dat werkt niet, want havisten zijn scholieren van een ander slag dan vwo’ers. Havo-leerlingen zijn best intelligent en creatief, bleek drie jaar geleden uit onderzoek van het Tilburgse instituut IVA. Vaak zijn ze nogal pragmatisch, ze doen pas hun best als duidelijk is wat ze ervoor terugkrijgen. Ze schuiven hun schoolwerk graag op de lange baan. Werken voor een toets lukt wel; maar voor iets zo ver weg als het eindexamen zijn ze nauwelijks te porren. En ze zijn meer dan vwo’ers sociaal aangelegd: wat er onder klasgenoten gebeurt, vinden ze heel belangrijk, net als hun omgang met de leraar.

Een havo-leerling is dus niét een soort vwo’er, maar dan minder slim. En de lessen op de havo moeten dus niét hetzelfde zijn als op het vwo, maar dan eenvoudiger. „Waar je ook komt”, zegt Sprangers, „iedereen die met havisten werkt, komt die specifieke eigenschappen tegen.”

Dat specifieke van de gemiddelde havo-leerling vraagt om een eigen aanpak, vinden de scholen van het haco-netwerk. Allereerst willen zij ervoor zorgen dat hun leerlingen beter beslagen ten ijs komen in het hbo – met een aanpak die in één moeite door ook motiverend en inspirerend uitpakt. „Het vmbo is voorbereidend mbo, het vwo is voorbereidend wetenschappelijk onderwijs”, stelt Ben Verhaaf, oud-directielid van het Arentheem College in Arnhem en initiatiefnemer van het netwerk. „De havo moet eigenlijk voorbereidend hbo zijn, vhbo dus.”

Omdat het hbo is overgestapt op een nieuwe onderwijsfilosofie, het competentiegericht onderwijs, zoeken de haco-scholen hun heil ook in die richting. In dat competentieleren ligt de nadruk niet alleen op kennis, maar ook op vaardigheden, en die moeten studenten zich deels via zelfstandig werken eigen maken. In theorie bereidt elke havo z’n leerlingen daarop al voor sinds de invoering van het ’studiehuis’, tien jaar geleden. Maar in de praktijk gebeurt dat mondjesmaat. Havisten vinden daarom slecht hun draai in het hbo. Verhaaf: „De kloof tussen havo en hbo is gewoon te groot.”

Die kloof willen de haco-scholen dichten door hun leerlingen stelselmatig competenties bij te brengen. Nu gebeurt dat nog vooral in het vak ’haco’, dat voor klas 3, 4 en 5 op het rooster staat.

Maar de competentiegerichte benadering kan ook toegepast worden in ’gewone’ vakken, en als dat goed gebeurt, kan haco als apart vak deels weer verdwijnen, zegt Sprangers. „Leerlingen moeten bijvoorbeeld een korte stage lopen, waarvoor ze een sollicitatiebrief moeten schrijven. Dat kunnen ze ook bij Nederlands leren – op die manier is dat geen loos gebeuren.”

Werkt deze aanpak? Geen van de betrokken scholen is al klaar met de invoering van ’havisten competent’. Maar de scholen die er het verst mee zijn, zoals het Cambreurcollege, zien ’signalen dat we op de goede weg zijn’, zegt Sprangers. De eerste haco-lichting zit nu in het hbo en die lijkt het beter te doen dan gewone havisten.

Ook op de havo zelf boeken de scholen resultaten. Het vak haco in de derde klas is mede bedoeld om scholieren te helpen bij het kiezen van hun profiel (hun vakkenpakket). Sprangers: „Vroeger reserveerde de decaan in de eerste maanden van het schooljaar veel tijd voor vierdeklassers die toch een ander profiel wilden. Dat hoeft nu niet meer.”

De scholen zien ook de motivatie van hun leerlingen groeien. „Vooral in de vierde klas heeft zo’n 20 procent het in oktober normaal gesproken al opgegeven. En dan is het schooljaar nog lang”, zegt Verhaaf. „Bij het vak haco ligt het doel minder ver weg. Daar moeten ze elke zes weken iets presenteren. Zo geef je ze steeds nieuwe kansen. Dat is sowieso de essentie van onderwijs: leerlingen kans geven op succeservaringen.”

Maar leren havisten wel genoeg van die competentiegerichte aanpak? Zeker, zegt Bram Thielen, docent in de klas van de boterstick. In zijn lessen aardrijkskunde zou hij leerlingen graag net zo actief aan het werk willen zetten. „Dat schiet er vaak bij in, omdat je ook de vakinhoud over het voetlicht wil brengen. Maar hier leren ze iets anders.”

Thielen wijst op het groepje dat aan een schilderij voor blinden werkt. „Die gingen meteen enthousiast aan de slag met verf en zo. Echt iets voor havisten: ze gaan soms te snel, ze vergeten na te denken over de eisen waaraan zo’n schilderij moet voldoen, over een plan van aanpak en over wat ze precies nodig hebben om dat uit te voeren. Dát leren ze hier: systematisch werken.”

De leerlingen zelf zijn enthousiast. „Dit is sowieso leuker dan andere vakken”, zegt Maud Ligtenberg, die met de boterstick bezig is. „Je moet creatief zijn, je moet bij alles nadenken. En je bent leuk met z’n allen bezig.” Maar steekt ze er ook wat van op? „Je hebt het misschien niet zo in de gaten, maar je leert best veel.”

mailIcon print |