Veteranen voelen zich in Nederland niet op waarde geschat. Vooral Srebrenica blijft een schaduw over het imago van de soldaten werpen. Maar de veteranen hebben geen spijt. „Ik ben oprecht trots op mijn militaire jaren.”
De meeste veteranen zijn trots op wat zij in dienst van het vaderland hebben gedaan. De persoonlijke verhalen in het boek ’Oorlogen en vredesmissies; ervaringen van Nederlandse veteranen 1940-2010’ onderstrepen dat gevoel.
Maar er is ook frustratie over het gebrek aan erkenning en waardering. „In Nederland hangt nogal eens de sfeer dat je je bijna moet schamen als je ergens gevochten hebt. Dat zou echt moeten veranderen”, zegt een Uruzganveteraan. ’Oorlogen en vredesmissies’ is mede bedoeld om een groter publiek (nader) te laten kennismaken met veteranen.
De aantallen zijn indrukwekkend. Sinds mei 1940 zijn bij oorlogen en vredesmissies in totaal 650.000 Nederlandse militairen ingezet. Van hen zijn er 22.000 om het leven gekomen en tienduizenden lichamelijk dan wel geestelijk gewond geraakt. De ’oude’ veteranen (WO II, Nederlands-Indië, Korea en Nieuw-Guinea) zijn dit jaar door natuurlijk verloop en nieuwe missies voor het eerst in de minderheid ten opzichte van de ’jonge’ veteranen. Daartoe behoren de veteranen van de Unifilmissie in Libanon (vanaf 1979) en alle daaropvolgende missies. Veteraan ben je overigens pas na het verlaten van de dienst, maar er gaan stemmen op om ook actief dienende militairen de veteranenstatus te geven.
Het toegankelijk geschreven en rijk geïllustreerde boek is een initiatief van het Comité Nederlandse Veteranendag. Deze dag is in vijf jaar uitgegroeid tot een evenement van formaat. Op de landelijke manifestatie in Den Haag komen tienduizenden veteranen en bezoekers af. Veteranen marcheren trots langs rijen applaudisserende mensen. Ook voor de regionale en lokale bijeenkomsten is de belangstelling groot.
Maar het is de vraag of dat meer is dan folklore en een gezellig dagje uit. „Er is steun, maar dat is niet hetzelfde als betrokkenheid. In het geval van de veteranen betekent dat: er is onmiskenbaar waardering, maar ogenschijnlijk geen diepe belangstelling en soms misschien wel een zekere onverschilligheid”, stellen de schrijvers. Prins Willem-Alexander is in zijn voorwoord optimistischer. Volgens de prins zijn ’wij van het aloude ontzag voor de veteranen uit de Tweede Wereldoorlog via een periode van meer afstand en reserve – en soms ook onbegrip – toegegroeid naar een situatie waarin de Nederlandse bevolking onze veteranen weer volmondig steunt’.
Het optreden van Nederlandse militairen in toenmalig Nederlands-Indië en in Srebrenica blijft een schaduw werpen over het imago van veteranen. „Natuurlijk zijn er excessen geweest, dat is in die omstandigheden niet te voorkomen, maar van de Nederlandse kant was het zeker niet systematisch”, zegt een Indiëveteraan. Door de publiciteit over oorlogsmisdaden kantelde het eenduidige beeld van de veteraan als held: een gewezen militair kan ook een dader zijn, of slachtoffer van een verkeerd beleid. „We waren een flink stel jongens en we hadden de overtuiging dat we voor de goede zaak vochten”, zegt een Indiëveteraan. Eenmaal thuis volgde de ontgoocheling. Een andere veteraan: „Ik ben niet bitter en ik ben oprecht trots op mijn militaire jaren, ik heb gedaan wat ik kon en heb mezelf niets te verwijten. Maar het zijn verloren jaren geweest.”
Voor de Indiëveteranen was in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw nog nauwelijks psychosociale nazorg beschikbaar. Pas in de jaren tachtig kwam die onder druk van veteranenorganisaties op gang. De grote aandacht voor nazorg en posttraumatische stress-stoornis (ptss) heeft nu als keerzijde dat veteranen vooral worden gezien als ’een slachtoffer met psychische klachten’. Daarvan is sprake bij gemiddeld vijf procent van de veteranen.
De schrijvers van ’Oorlogen en vredesmissies’ leggen de nadruk op de positieve aspecten van deelname aan een missie. „Zonder te verhullen dat de kosten van deelname aan oorlogen en vredesoperaties voor veteranen soms (pijnlijk) hoog uitvallen, moet worden benadrukt dat de persoonlijke voordelen ervan meestal aanzienlijk zijn. Veteranen hebben als militair onder moeilijke omstandigheden ervaring, kennis en vaardigheden opgedaan waarvan zij de rest van hun leven profijt hebben.”
Onderzoek geeft de auteurs gelijk: slechts negen procent van de ondervraagde veteranen denkt negatief of zeer negatief terug aan zijn tijd als militair. „Als veteraan betekent ’staan voor wat je deed’ dan hoor ik er wel bij”, zegt een Uruzganveteraan. „Het maakt me niet uit of je onder vuur lag of in Split op een waterscooter zat: je was erbij, dat mag iedereen weten.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.