*

 

CDA houdt een achterdeurtje open voor PVV

Hans Goslinga − 03/04/10, 00:00

Wie naar Nederland komt, mag in vrijheid zijn geloof belijden, zegt het verkiezingsprogram van het CDA. Maar dan volgt er een zin die veel weg heeft van een voorbehoud: Tegelijkertijd komt hij in een samenleving waar de joods-christelijke en humanistische traditie en cultuur de samenleving kleuren. Dat betekent, legt het program uit, dat de Westerse cultuur en waarden en normen ’leidend zijn voor de samenleving’. Is dit het achterdeurtje dat het CDA kan gebruiken om eventueel samenwerking met de PVV te rechtvaardigen?

De woorden zijn hoe dan ook niet vrij van dubbelzinnigheid. Zij lijken er bovendien op het laatste moment in gefrommeld, omdat ze haaks staan op het voorafgaande principiële betoog over de geloofsvrijheid. Die vrijheid gaat volgens het CDA verder dan alleen belijden. In ons land, zegt het program, moet er ruimte zijn je persoonlijk geloof in de publieke ruimte uit te drukken. Er is een scheiding tussen kerk en staat, maar niet tussen geloof en samenleving. Dat betekent volgens de tekst dat overheid en samenleving plaats bieden aan geloofsgemeenschappen voor zover zij de kernwaarden van onze rechtsstaat respecteren.

Met de grondwet in de hand geeft het CDA dus ruim baan aan het dragen van religieuze symbolen en aan de bouw van minaretten – geen Zwitserse toestanden, als het aan de partij ligt. De overheid, maakt het program zelfs nog eens extra duidelijk, heeft geen opvatting over het geloof van mensen. De vrijheid van godsdienst is even belangrijk als alle andere grondrechten, aldus de tekst. Maar dan verkeert de gevende hand, met een beroep op de dominante cultuur in ons land, ineens in een hand die terugneemt.

Deze beweging is tekenend voor de positie die het CDA in het integratiedebat inneemt, al is het ongegeneerde vertoon van de inconsistentie verrassend. Dan zijn de mannenbroeders van de SGP op het eerste oog een stuk duidelijker. Bas van der Vlies, de gaande man, zei afgelopen zaterdag in een doorwrocht betoog dat Wilders met zijn waarschuwing voor de islamisering van Nederland een punt heeft. Zijn partij, zei hij, heeft daarmee ook moeite. Dat is niet zo verbazingwekkend, want de SGP baseert zich nog altijd op de Nederlandse geloofsbelijdenis uit 1561, die de overheid opdraagt ’te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst’.

In hetzelfde beruchte artikel 36 van de geloofsbelijdenis staat dat God de overheid het zwaard in handen heeft gegeven ’tot straf der bozen en bescherming der vromen’, maar hoezeer ook de mannenbroeders het ideaal van een protestantse theocratie nog altijd aanhangen, zij willen dat doel langs vreedzame weg bereiken. Ook verwerpen zij het populisme van Wilders, dat zich immers beroept op ’de wil van het volk’ en niet op ’Gods heilzame wetten en geboden’.

Maar net als de PVV beroept de SGP zich op de identiteit van de natie, die in haar ogen in het protestantisme haar wortels heeft. In dat licht heeft Van der Vlies er geen probleem mee, zei hij, aan de ’voluit christelijke geloofsovertuiging’ het primaat toe te kennen. Dat betekent concreet dat de moslims zich in hun publieke geloofsuitingen (maar ook met het plaatsen van schotelantennes) gedeisd moeten houden. De overheid moet dat langs de weg van overleg aan hun duidelijk maken. De SGP wil dus niks opleggen, maar al polderend de moslims tot aanpassing bewegen aan de ’historische Nederlandse identiteit’.

Een SGP-motie van die strekking kreeg eind vorig jaar alleen steun van de PVV en het Kamerlid Verdonk. Het CDA stemde tegen, maar de partij blijft, welbewust naar mag worden aangenomen, van twee walletjes eten. Met een verwijzing naar de leidende identiteit nijgt ze naar de PVV en de SGP, met een beroep op de democratische notie van pluraliteit naar de andere kant, waar Job Cohen als kandidaat-aanvoerder van de PvdA de leidende positie heeft opgeëist. Het CDA loopt met haar strategie het risico dat het in de verkiezingsstrijd tussen Cohen en Wilders wordt vermalen – het zou het loon van de angst zijn.

Het interessante is dat de drie christelijke partijen op dit punt volstrekt verdeeld zijn geraakt. Het program van de ChristenUnie is nog niet bekend, maar het is te verwachten dat de partij van Rouvoet en Slob bij de pluraliteit voor anker gaat. Dat biedt deze partij een veel geloofwaardiger positie dan de SGP en het CDA om voor de belangen van de christelijke minderheden op te komen. De SGP claimt met standpunten die van de dominante cultuur afwijken met recht en reden een ruimte, die zij evenwel aan de islamitische minderheid misgunt.

Deze ongerijmdheid verzwakte de harde aanval van Van der Vlies op wat hij ziet als de dreigende dictatuur van de seculiere meerderheidsmoraal. Dat gevaar is reëel, maar hoe kan iemand die het primaat voor de christelijke geloofsovertuiging opeist, het de ongelovige meerderheid kwalijk nemen dat zij voor haar opvattingen hetzelfde doet?

De ChristenUnie onderkent de dreiging van seculiere zijde ook, maar heeft als aanhanger van het pluralisme meer recht van spreken en kan de meerderheidsdwang daarom scherp aan de kaak stellen als ondemocratisch.

De christen-democraten werpen zich als erfgenamen van Kuyper terecht op als hoeders van het bijzonder onderwijs, maar als zij moslims de soevereiniteit in eigen kring ontzeggen en aanpassing van hen eisen aan de dominante cultuur, zijn zij in hun principeloosheid bezig een kuil voor zichzelf te graven.

mailIcon print |