*

 

Het spreekrecht van de schrijver

Hans Nauta − 27/04/10, 00:00

Abdelkader Benali ontmoette voor zijn tv-programma ’Benali in boeken’ schrijvers in hun eigen stad. „De auteur heeft het recht te spreken en ik wil er naar luisteren, zo stapte ik deze serie in.”

  • Abdelkader Benali stelde zich de vraag: maakt de stad de schrijver of andersom? „In de goeie gevallen vallen ze samen, waardoor de stad zelf een literair personage wordt. (Roel van Dalen)

Het eenzaamste café van Nederland is ’t Zielhoes, bij de afwateringssluis tussen de Noordpolder en het Groninger Wad. In een leeg sneeuwlandschap lopen twee mannen het beeld in, op weg naar die voormalige sluiswachterswoning, waar nooit iets opmerkelijks gebeurt.

Behalve dan in 1995, toen Bob Dylan de dag na zijn concert in Groningen ging fietsen in deze streek die hem aan Minnesota deed denken, zijn geboortegrond. Even onopvallend als ieder ander kwam hij binnen, bestelde koffie en ging bij het raam zitten, om te zien wat er buiten gebeurde.

Buiten gebeurde niks natuurlijk, zegt Bill Mensema tegen Abdelkader Benali, als beide schrijvers die kale vlakte achter zich hebben gelaten. Mensema schreef de roman ’Fietsen met Bob Dylan’ en wijst nu Benali het raamtafeltje aan.

De ontmoeting zit in de tweede aflevering van de NPS-reportageserie ’Benali in boeken’, waaraan de schrijver de ondertitel ’zes wintervertellingen’ meegeeft omdat het zo ontzettend koud was bij de opnames. Het zijn kleine documentaires over een stad, bekeken door de ogen van schrijvers. De eerste scènes zijn klaar en worden in een zaaltje geprojecteerd op een scherm. Overdreven is het bioscoopformaat niet, de beelden van het Groningse landschap zijn er mooi genoeg voor.

Elke stad heeft een eigen karakter, net als de auteurs die er leven. Mensema mag dan gebleven zijn, geen stad is zo veel verlaten als Groningen. Amsterdam zit vol columnisten, wat iets te maken heeft met het hoofdstedelijk humeur. In Antwerpen botsen schrijvers met de harde kanten van de maatschappij. Ook Nijmegen, Den Haag en Utrecht komen aan bod, alle steden worden door hun literaire bewoners bezongen of beschimpt.

Maakt de stad de schrijver of andersom? Benali: „Dat was ook de vraag die wij ons in het begin stelden. In de goeie gevallen zijn ze niet meer los van elkaar te zien. Ze vallen samen, waardoor de stad zelf een literair personage wordt.”

Dat gebeurde bij Bart Moeyaert, die morgen in de eerste aflevering met Benali door Antwerpen loopt, naar de plek waar hij nog altijd de echo hoort van de racistische moord die in 2006 gepleegd werd. Die gruweldaad wierp Moeyaert vanuit de ivoren toren zo de straat op. Als stadsdichter moest hij zich uitspreken over wat er gaande was, en hij kon ook niet anders.

Bijzonder is voor Benali ook de aflevering met Manon Uphoff. Zij bezochten het voormalige hoofdkwartier van de NSB op de Maliebaan in Utrecht, er wonen nu studenten antikraak. „Op een prachtige manier brengt zij de esthetiek van het fascisme en de surrealistische façade van de stad bij elkaar. Ik ben door haar anders naar die stad gaan kijken.” Dat is het criterium voor een geslaagde uitzending: dat tv-kijkers anders gaan kijken.

Als schrijver heeft Benali wel eens te maken gehad met cameraploegen, maar die ervaringen leerden hem vooral hoe het niet moet. „Wat ik meeneem naar een interview is dat ik weet wat het is om achter een werktafel te zitten en te schrijven. Ik denk dat auteurs dat heel prettig vinden.”

Zijn voorbeelden zijn Adriaan van Dis en Wim Kayzer. „Inspirerend was voor mij het interview van Kayzer met Ben Okri. Kayzer stelt niet alleen vragen, maar beheerst ook de kunst van het terugtrekken en laat daardoor de schrijver tot zijn recht komen. De schrijver heeft het recht te spreken en ik wil er naar luisteren, zo stapte ik deze serie in.”

Hij mag dan weten hoe een schrijver schrijft, dat betekent niet dat Benali overal op was voorbereid. Zo werd hij overrompeld door de emotie waarmee Moeyaert zijn verhaal deed. „Ik wist niet wat me overkwam en stond er als een toeschouwer bij. Het was een klap van gevoel en ik wist dat ik daarin niet ook moest verdwijnen. Uit onzekerheid wil je toegeven, een hand op zijn arm leggen, maar dat hoeft niet. Zij hebben mijn lach en traan niet nodig om er zelf toe te komen.”

Nu Benali de fragmenten terugziet, glimlacht hij om Mensema. De Benali op het scherm, daar in ’t Zielhoes, houdt zijn gezicht strak. „Toen ook was ik gecharmeerd van de ironie onder zijn zinnen. Maar met die grapjes relativeert hij zijn verhaal, hij trekt de ernst weg en maakt het kleiner, terwijl het niet klein is. Ik wilde niet de spanningsboog verbreken door mee te lachen.”

’t Zielhoes deed Benali denken aan dat kustplaatsje in Marokko waar iedereen altijd maar wegging, en dat hem vol raakt als hij er nu terugkomt. „Bill raakte mij omdat ik verwantschap voelde met zijn melancholie, die hij op een mannelijke, gevoelige manier wist te verwoorden. Ik snapte ook goed waarom zijn gehechtheid aan het land heel belangrijk is. Daar put je uit als schrijver. Ik vond het ook knap hoe hij die locatie met zijn moeder verbond, die daar koffie kwam drinken, in afwachting van de kanker die haar lichaam aanvrat.”

Benali kijkt wel tv, maar televisie is niet zijn venster op de werkelijkheid. „Ik bekijk de wereld door boeken, interessanter dan een talkshow, een politieke analyse of een dagbladcommentaar. Natuurlijk staat literatuur boven televisie, in directheid, eerlijkheid, urgentie. Een roman is het hoogste, het moeilijkste. Literatuur is een één-op-één-gevecht. Conflict. Je hebt iets uit te zoeken met de tekst, de karakters, en het is bevrijdend omdat je zelf mag aanvullen. Door dat spel aan te gaan zie je opeens meer. Televisie kan niet op die manier bevrijden.”

Wat tv wel kan doen, in zeldzame gevallen, is duidelijk maken dat literatuur ertoe doet, zegt hij. En dat is belangrijk, want verhalen hebben aan kracht niet ingeboet, ook niet nu de beeldcultuur op de leescultuur wint.

„Ik geef soms les op vmbo-scholen. Als ik voorlees zie ik kinderen tot rust komen, een nieuwe wereld binnengaan. Als ik een verhaal gebruik om indirect iets te vertellen over hun eigen leven, zie ik ze echt luisteren. Je stelt ze in staat om macht te krijgen over de tekst, om die zich toe te eigenen. Het is een uitwisseling die ook mij verrijkt. Ook daar voel ik: literatuur kan nog iets doen.”

Benali ontkent de kracht van het beeld niet. Zo treedt hij toe tot de Raad van Toezicht van het Amsterdamse Rijksmuseum. Die raad maakt geen plannen, stuurt subtiel bij – ’wij zeggen dan: kijk hier eens naar’. „Als het museum heropent, komt er wel een moment waarop ik graag meedenk over de nationale canon.” Als kind bezocht Benali het Rotterdamse museum Boijmans van Beuningen en raakte er gefascineerd door stillevens, de rijkdom en de vergankelijkheid ervan, Vlaamse primitieven.

Ook zo’n indringend schilderij roept bij Benali vooral verhalen op. „Je kunt niet meer alleen een informatiebordje naast een stilleven hangen. Het werk lokt uit dat er een verhaal wordt verteld. En daaraan wil ik graag een bijdrage leveren.”

mailIcon print |