*

 

Dialect is niet dom maar hip

Kristel van Teeffelen − 24/04/10, 00:00

Dialect was de taal van boeren en vissers. Nu loopt juist de elite weg met de taal van de streek. Maar dialect kun je niet aanleren, je moet het van huis uit kennen.

  • Iemand die drie keer heeft gewonnen, mag niet meer aan het Grÿot Dikteej, het dictee in het Tilburgs, deelnemen. (JÿRGEN CARIS, TROUW)

Gerard Steijns van de Stichting Tilburgse Taol is stellig over het gebruik van zijn dialect: „Ge moet natuurlijk nie de godganse dag Tilburgs ouwehoeren. Gebruik het wanneer het past”, zegt hij tegen twaalf cursisten. In de educatieruimte van het Regionaal Archief Tilburg zitten zij klaar voor de eerste les Tilburgs dialect.

De cursisten zijn op twee na allemaal geboren en getogen in Tilburg. De andere twee wonen al tientallen jaren in de stad. Redenen om zo’n cursus te volgen zijn veelzijdig: interesse in taal, nostalgie en het winnen van het ’Grôot Dikteej’ in november. De trofee van dit dictee in het Tilburgs staat als een aanmoediging midden op tafel. Petra Robben, docent van de cursus, won hem de afgelopen drie jaar. „En nu is het mijn doel om één van jullie te laten winnen”, zegt ze tegen haar leerlingen. Iemand die drie keer heeft gewonnen, mag namelijk niet meer aan het dictee deelnemen.

Robben heeft de cursus samen met de Stichting Tilburgse Taol opgezet. Volgens Steijns is de cursus niet bedoeld voor mensen die Tilburgs willen aanleren. „Sommigen gaan met het dialect stoeien om erbij te horen. Maar dat vind ik potlelijk Je kunt het namelijk niet aanleren. Je moet het van huis uit kennen.”

„Ik ben er apentrots op om Tilburgse te zijn”, zegt Charlotte Teurlings, een van de cursisten. „Je ziet wel eens dat het op televisie wordt ondertiteld als er een Brabander aan het woord is. Dat vind ik best een belediging. Alsof het zo’n andere taal is.” Toch praat Teurlings in het dagelijks leven vooral gewoon Nederlands. „Ik sta voor de klas, dus dan moet ik wel. En thuis spraken we het ook niet.”

Ook bij cursist Mariët Oostelbos werd er thuis geen dialect gesproken. „Mijn ouders wilden dat niet. Nu heb ik bij mijn dochter hetzelfde. Ik vind dat ze af en toe iets te plat praat. Je moet je wel aan het gezelschap aanpassen. Als er iemand tussen zit die het dialect niet spreekt, ga ik over op Nederlands.” Dat Oostelbos nu de cursus volgt, is naar eigen zeggen uit nostalgie. „Mijn vader heeft me wel altijd geleerd om trots te zijn op Tilburg. Daarom zit ik hier.”

Tilburgs is niet het enige dialect dat zijn eigen cursus heeft. Stichting Huus van de Toal organiseert een cursus Drents. Zo’n tweehonderd mensen per jaar uit Drenthe of daarbuiten, krijgen les in de taal en de cultuur. „Als je hier woont of op bezoek komt, is het niet noodzakelijk om Drents te praten. Iedereen spreekt ook gewoon Nederlands”, zegt Abel Darwinkel van Huus van de Toal. „Maar het wordt wel gewaardeerd als je het kunt spreken en verstaan.”

Waarom mensen een cursus Drents volgen? „Vast vanwege een stukje nostalgie”, aldus Darwinkel. „De Drentse taal staat onder druk. Steeds minder mensen leren het als kind. Dat is jammer, want er gaat een stukje cultuurgoed verloren.”

Emmy Iwema van Stichting Grunneger Toal en coördinator van de cursussen Gronings ziet hetzelfde bij haar cursisten: „Minder mensen spreken de taal thuis. Maar veel jongeren herkennen het dialect wel als de taal van hun oma. Ze willen het daarom leren.”

Grunninger Toal biedt drie verschillende cursussen aan, met in totaal ongeveer zestig deelnemers per jaar: spelling, grammatica en literatuur voor beginners en voor gevorderden en een spreekcursus. „Bij de eerste twee zie je vooral geboren en getogen Groningers die de taal enigszins beheersen, maar er wat meer van willen leren”, zegt Iwema. „De spreekcursus wordt vooral door mensen van buitenaf gedaan. Bijvoorbeeld omdat ze hier een partner hebben of omdat ze zijn blijven hangen na hun studie. Het verstaan en spreken van Gronings is niet noodzakelijk, maar kan vooral op het platteland nuttig zijn. De oudere generatie spreekt het vaak beter dan Nederlands.”

Hans Bennis, directeur van het Meertens Instituut in Amsterdam dat onderzoek doet naar de Nederlandse taal en cultuur, ziet de cursussen dialect als een trend: „Er is een soort revival van de dialecten bezig. De rol is nog steeds hetzelfde: het markeren van groepen. Dat sommige hun dialect nu zo belangrijk vinden, hangt samen met een opkomend regionalisme en nationalisme. Door de globalisering is de term Nederlander niet meer zo afgebakend. Je bent ook Europeaan en wereldburger. Daarom gaan mensen zich op een kleinere schaal richten.”

Er is volgens Bennis nog een verandering gaande: „Vroeger was het dialect iets voor de boeren en vissers. Het werd gezien als dom. Ouders wilden hun kinderen daarom absoluut Nederlands leren. Tegenwoordig is het juist vooral de elite die dialect spreekt. De dominee in het dorp of de lokale krant; ze gebruiken het dialect bewust. De status is daarmee veranderd. Tegenwoordig is het oude iets goeds. Door dialect te spreken geef je een extra historische dimensie aan je bestaan.”

Dat doormiddel van cursussen wordt gepoogd het dialect weer een nieuwe impuls te geven, vindt Bennis onnatuurlijk. „In taal vinden natuurlijke verschuivingen plaats. Er ontstaan steeds nieuwe variaties. Zoals nu bijvoorbeeld het allochtoons dialect ontstaat.” Dat neemt niet weg dat Bennis de wederopstanding van dialect iets moois vindt. „Laat mensen drie talen spreken. Dialect voor in de kroeg, Nederlands voor buiten het dorp en Engels voor op reis.”

In de educatieruimte van het Tilburgse archief komen de cursisten erachter dat de spelling van de taal die zij van kinds af aan spreken, nog niet zo makkelijk is. „We beginnen vandaag met de letter e”, zegt docent Petra Robben. „Je hebt de è, e, êe, ee en de èè. Welke van deze e zit in het woord mènneke?”

mailIcon print |