Meint Mulder mailt regelmatig foto’s. ’s Zomers meer dan ’s winters, want er staan vaak geleedpotigen op. Daarvan vraag ik me geregeld af: hoe weet ie ze toch te vinden?
Het wordt lente, en Meint kiekt een plakkaat eieren. Het zijn geen scharreleieren, want ze zitten met velen bewegingloos op een klein stukje eikenbast. Naast de eitjes zijn haren te zien. Het zijn eitjes van de witvlakvlinder, een nachtvlinder.
De vlinders verschijnen in mei en leven kort. Ze hebben geen roltong en kunnen geen nectar zuigen. Ze moeten gauw zien te paren en eieren leggen. Na hun vastentijd is er geen carnaval, maar gaan ze dood.
Vooral de vrouwtjes hebben een treurig vlinderbestaan. Ze paren direct nadat ze ontpopt zijn. Vleugels hebben ze niet, ze zouden er niets aan hebben. En of ze hun logge lijf in de lucht zouden krijgen? Hun vleugelloze lijfje staat stijf van de eieren.
De moedervlinder zet ze af op de cocon waar ze als rups in verpopte. Die eieren zijn talrijk, maar vooral groot voor vlindereieren. Niet omdat de vlinders groot zijn, maar omdat de moeders haast hebben. Als een vrouwtje ontpopt, draagt ze al volgroeide eitjes, er is geen tijd om even door te rijpen. Het zaad van een mannetje erbij en eieren leggen maar.
Er kruipen kleine rupsjes uit, met lange haren - ze worden door de wind weggeblazen en meegevoerd dankzij de draden die ze spinnen. De rupsjes zijn kleurrijk. Je zou denken dat dat opvalt en gevaarlijk is, maar witvlakvlinderrupsen worden door vogels juist gemeden naarmate ze feller gekleurd zijn. De vogels zullen die kleuren wel wantrouwen. Misschien vermoeden ze vergif.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.