Hans van Mierlo werkte aan een politiek bestel van melk en honing, maar is overleden in een land van azijn en bitterheid. Met zijn dood eindigt een tijdperk.
In de oneindig grote dinerroom van hotel Indonesia in Jakarta was het zelfs ’s nachts om drie uur druk. Overal zaten mensen te eten en te drinken en liepen kelners bedrijvig heen en weer.
Midden in de roezemoezige ruimte zat een grote, blanke man in een witte hotelbadjas. Hij sprak indringend tegen zijn tafelgenoten en nam af en toe een slok van zijn Bintang, het lokale bier.
De man was Hans van Mierlo. Hij had de slaap niet kunnen vatten en was bij een gezelschap bami etende journalisten aangeschoven met de vraag of er nog wat te drinken was. Het was januari 1994, vijf maanden voordat hij zijn hoogtepunt in de Nederlandse politiek zou bereiken, een verkiezingsuitslag die de totstandkoming mogelijk zou maken van een kabinet bestaande uit PvdA, VVD en zijn partij, D66.
Van Mierlo was al enige tijd vol van deze droomcoalitie, die voor het eerst sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1918 de christen-democraten buitenspel zou zetten. Wat een verademing zou dat zijn voor het politieke bestel, dat in zijn ogen steeds verstarder raakte door de verkramptheid van socialisten en liberalen tegenover elkaar en de onafgebroken macht van het CDA. Paars zou een politieke vernieuwing in zichzelf zijn, belangrijker misschien wel dan de staatkundige hervormingen waarmee zijn partij vanaf de jaren zestig had gepoogd het bestel op te blazen. ’Dit is het moment’, was dan ook de tekst op de affiches waarmee D66 enige maanden later de campagne in ging.
In Den Haag werd er in 1993 nog wat lacherig gedaan over de mogelijkheid van een paarse coalitie. De christen-democraten maakten zelfs grijnzend wegwerpgebaren als je erover begon.
Maar Van Mierlo geloofde in zijn droomcoalitie. In april van dat jaar zei hij tegen deze krant: „Het gaat voor alles om een gevoel van vrijheid. In Nederland kunnen de kiezers de macht niet wegsturen, want het CDA komt altijd terug. De vrijheid ligt in het verschiet als die partij eens genoeg zou moeten nemen met een oppositierol.”
Die nacht in Jakarta lag Elco Brinkman, de aankomende leider van het CDA, al te slapen. Of misschien woelde hij onrustig na de harde kritiek van zijn partijgenoten Bert de Vries en Enneüs Heerman op zijn prima-donna-gedrag.
Brinkman had zich, zoals iedere avond, vroeg teruggetrokken uit het gezelschap fractieleiders en journalisten. Hij kon niet goed tegen de dominantie van Van Mierlo in de gesprekken, net zo min als Hans Dijkstal, de tweede man van de VVD, die graag de draak stak met de droom van de D66’er. Toen de door diaree geplaagde Van Mierlo zich op Kalimantan tijdens een voettochtje door de jungle plotseling terugtrok achter wat struikgewas, riep de liberaal: ’Ik geloof dat de basis voor paars wordt gelegd’.
De paarse coalitie hield acht jaar stand, mede dankzij een gunstige economische conjunctuur, maar meer dan een katalysator van vernieuwing was deze samenwerking een uitdrukking van politieke indolentie en futloosheid. Het avontuur van Van Mierlo, dat tot een gevoel van vrijheid en een keerpunt moest leiden, eindigde met de knal van de Fortuyn-revolte en bracht de christen-democraten, alsof er niets was veranderd, weer terug in hun vertrouwde spilpositie.
Maar hoe lang nog? Het is een bittere ironie van de geschiedenis dat het partijenbestel, waar D66 ruim veertig jaar terug de eerste bressen in sloeg, nu lijkt te bezwijken onder druk van een andere bestormer, iemand die gedreven door ressentiment en rancune voor het spiegelbeeld van Van Mierlo kan doorgaan.
’Hafmo’ – zoals Van Mierlo aan de hand van zijn vijf voorletters wel werd genoemd – vergiste zich in de taaiheid en de machtswil van de oude volkspartijen, toen hij in het najaar van 1966 met veertig geestverwanten in hotel Krasnapolsky aan een poging begon het politieke bestel tot ontploffing te brengen.
Nu is zelfs het CDA, tot voor kort de stabielste factor in de Nederlandse politiek, ten prooi aan verwarring en desintegratie. Hetzelfde geldt voor de PvdA. Beide partijen zijn niet in staat gebleken hun samenwerking in moeilijke tijden tot een succes te maken en bezegelen daarmee niet alleen het zoveelste einde van een coalitie, maar ook het einde van het oude bestel.
Het is nog te vroeg om de oorzaken daarvan scherp in beeld te krijgen. Duidelijk is wel dat het de traditionele partijen niet is gelukt de aanpak van lastige maatschappelijke kwesties, zoals de integratie, te verbinden met een herkenbaar politiek leiderschap.
De manier waarop Balkenende en Bos met hun opdracht ’samen werken, samen leven’ omgingen, liet niet alleen een tergend onvermogen zien, maar ook een asynchrone wisselwerking tussen leiderschap, partij en samenleving. Na de aftocht van Bos als PvdA-leider is daarom ook het terugtreden van Balkenende als aanvoerder van het CDA onvermijdelijk geworden, een kwestie van dagen, tenzij de partij met blindheid is geslagen.
De dood van Hans van Mierlo symboliseert bij uitstek het einde van een tijdperk en krijgt zelfs een bijbelse dimensie als je in de Amsterdamse Brabander een Mozesfiguur ziet die wel het Beloofde Land heeft gezien, maar het niet mocht binnentreden.
De vraag is alleen of datgene wat hij op het eind van zijn leven nog heeft waargenomen, hem vrolijk heeft gestemd. Het heeft er veel van weg dat Nederland, meer dan een land van melk en honing, een land van azijn en bitterheid is geworden. Van Mierlo vertrouwde in de jaren zestig op de kracht van de rede en de redenering. Hij presenteerde D’66 (toen nog met apostrofje) als ’een nieuwe politieke existentie van de onafhankelijke, ontzuilde burger’. Bevrijd van ideologie, God, dominee en meneer pastoor vroeg deze burger om een rationele, pragmatische politiek en directe invloed op degenen die hem bestuurden. Maar de grote sociaal-culturele veranderingen hebben niet alleen de elitaire burger van D66 voortgebracht, maar ook een gemeenzamer figuur die zegt wat hij denkt. Niet de rede, maar de emotie regeert en er is een onbalans ontstaan tussen individu en gemeenschap.
Tijdens het bezoek aan Indonesië zestien jaar terug gaven wij Van Mierlo de bijnaam bapak Paradox, vadertje Paradox, vanwege zijn voorliefde voor deze literaire stijlfiguur.
Een van de paradoxen in de D66-politicus was dat hij zijn vertrouwen op de rede en de redelijkheid met een ongekende hartstocht overbracht. Hij leek in dat opzicht op zijn tijdgenoot Joop den Uyl, ook zo’n gepassioneerde leider.
Het kenmerk van echte leiders is, zoals de liberaal Cort van der Linden een eeuw geleden scherp waarnam, dat zij iets verbeelden dat groter is dan zijzelf. Niet de machtswil moet voorop staan, maar de dienstbaarheid aan een ideaal en aan de publieke zaak.
Balkenende en Bos hebben die notie te veel uit het oog verloren. Zij maakten, misschien wel tegen wil en dank, hun partijen in alle geledingen ondergeschikt aan de macht en het machtsbehoud, zoals op ultieme wijze bleek uit de snelheid waarmee ze na de val van het kabinet, bijna à la Napoleon, zichzelf opnieuw als lijstaanvoerder kroonden. Vergelijk dat eens met het respect dat PvdA-leider Den Uyl in 1977 aan de partijdemocratie bewees door zijn felbegeerde tweede kabinet niet met behulp van het machtswoord door te drukken.
Voor Van Mierlo is het wezen van de democratie de balans tussen macht en tegenmacht. Macht zonder stevig tegenspel corrumpeert. Hij had er dan ook geen bezwaar tegen als na de paarse periode het CDA tot de coalitie was toegetreden. In dat geval zou de tegenmacht van het parlement zich beter kunnen ontwikkelen.
Hafmo spiegelde zich graag aan de beste kanten van de Amerikaanse politiek, waarin het evenwicht tussen de machten permanent een essentiële rol speelt. Bij een bezoek aan Washington in de jaren tachtig was hij diep onder de indruk van de constitutionele en historische kennis van de taxichauffeur die hem van het vliegveld naar de stad reed. Die vorm van burgerschap stond hem in zijn politieke ijveren scherp voor ogen.
Het machtsdenken was hem overigens niet vreemd. Komend uit de katholieke denkwereld voelde hij al snel aan dat hij zijn politieke kracht vanuit het midden moest ontwikkelen. Zijn strijd voor paars (‘radicalisering vanuit het centrum’) is daarop terug te voeren, maar ook zijn bedekte streven met D66 de plaats van het CDA in het centrum van de macht over te nemen.
Als geen ander kon Van Mierlo de paradox tot leven brengen naar de macht te streven door er van af te zien. Anders dan nogal wat partijgenoten koesterde hij geen weerzin tegen gelovigen; hooguit uitte hij zijn verbazing. Bij hem was, zoals hij eens zei, het geloof weggewaaid, maar hij kon met mildheid op zijn katholieke jeugd terugkijken.
Hij had wel de pest aan de machtsbolwerken die uit de kerk voortkwamen en richtte daarom zijn pijlen op de eeuwige macht van het CDA in de Nederlandse politiek. Als christen-democraten zich bezorgd uitlieten over de individualisering zei hij pesterig dat dat hetzelfde was als schelden op het weer: je kon er niets aan doen.
Misschien wel door de fixatie op de christen-democratie als ideologische tegenhanger heeft hij de negatieve kanten van de ontzuiling en individualisering veronachtzaamd. Net zo min als veel van zijn libertaire geestverwanten onderkende hij in het paarse belle époque niet de gevoelens van verweesdheid, die de samenleving binnenslopen en die nog werden versterkt door de massale immigratie van vreemde culturen.
De redelijkheid en de tolerantie waarop hij vertrouwde, schoten uiteindelijk tekort en leidden na de knal van de Fortuyn-revolte in 2002 een langdurige periode van instabiliteit in, die ook zijn partij na het liberale hoogtij in de jaren negentig ver terugwierp en de samenleving in een diepe identiteitscrisis stortte.
De onzekerheid over het karakter en de bestemming van de natie hebben als enige duidelijkheid de partij van Geert Wilders opgeleverd. De traditionele partijen ontbreekt het vooralsnog aan een droom en de verbeeldingskracht om een nieuw positief perspectief te schetsen. Het literaire leiderschap waarvan Van Mierlo vorm gaf, lijkt geen eerste behoefte in deze tijd van oneliners, maar toch... in den beginne is altijd het woord. Hafmo hield van het woord, van de retoriek, van wat hijzelf omschreef als ’het drama van de redenering’.
Met zijn ongetoomde lust tot redeneren en drinken tot diep in de nacht stond hij in een lange traditie, die zowel in de politiek als in de journalistiek vrijwel is uitgestorven, niet louter tot voordeel van beide culturen.
Van Mierlo was een van de laatste politici die in staat waren de politieke, journalistieke en artistieke kringen bijeen te brengen. Hij deed denken aan Pieter Tak, de eerste hoofdredacteur van Het Volk, de krant van de SDAP, en in zijn dagen een gekend kroegtijger in de Amsterdamse binnenstad.
Het was dus niet zo vreemd dat Van Mierlo midden in de Indonesische tropennacht het gezelschap van journalisten zocht. Hij voelde zich bij de cultuur van het woord en de spiritualiën volkomen thuis.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.