Echte kledingvoorschriften kennen de meeste bedrijven niet. Ongeschreven regels bepalen hoe je eruit ziet op de werkvloer.
’Haha, haha’, klinkt het door de lege Suitsupply winkel in Haarlem. Fokke de Jong (36), directeur van de succesvolle winkelketen, poseert voor de foto. De Jong haalt zijn handen door zijn haar, kijkt zelfverzekerd de camera in en laat af en toe een bulderende lach horen. „Als je hardop lacht, komt dat op de foto natuurlijker over”, legt een verkoopster op een afstandje uit.
Beeldvorming is volgens de directeur van de in totaal dertig pakkenwinkels alles. De Jong: „Als je een meeting hebt met iemand die je niet eerder hebt ontmoet, dan zijn de eerste drie milliseconden cruciaal voor de rest van het gesprek. Kleding vormt een belangrijk onderdeel van die eerste indruk – als je er goed verzorgd uitziet, kan dat alleen maar helpen.”
Er zijn maar weinig bedrijven in Nederland die werken met officiële kledingvoorschriften en -regels, toch speelt kleding in iedere organisatie wel degelijk een rol. Eerste indrukken, er representatief, netjes en verzorgd uitzien, daar gaat het bij de meeste bedrijven om. Maar hoe doe je dat, goed overkomen?
Styliste Susi Sommer (25) heeft van die vraag haar werk gemaakt; ze werkt voor modebladen, maar daarnaast adviseert ze ook mensen bij hun kledingkeuze: „In de zakenwereld zijn er wat betreft kleding veel ongeschreven regels. Voor vrouwen zijn te korte rokjes geen goed idee, net als een diep uitgesneden decolleté. Daarmee straal je geen autoriteit uit, en word je minder serieus genomen.”
Sommer adviseert de kleding aan te passen aan de klant: „Dat doe ik zelf ook: normaal gesproken loop ik in een kort jurkje de deur uit, maar als ik een gesprek heb voor een commerciële opdracht, doe ik een mooi grijs jasje aan, en zet ik een bril op, al kan ik prima zien zonder.”
„Als ik serieus wil worden genomen, trek ik een serieus pak aan’, stelt ook De Jong: „Kleding maakt alles uit: met je kleding zeg je iets over jezelf. Als iemand een felgroene stropdas aantrekt laat die persoon zien dat hij frivool is, terwijl een keurig nette das, met een klein werkje er op geborduurd juist behoudendheid en conservatisme toont.”
Dat de directeur van een pakkenwinkel en een styliste veel waarde hechten aan beeldvorming, uiterlijk en kleding zal niemand verbazen. Maar ook leidinggevenden van organisaties die op het eerste gezicht niets met mode hebben, denken wel degelijk over hun voorkomen na. Dit bevestigt Thomas Hofmans, hij is de directeur van Radar, een bureau dat zich bezighoudt met maatschappelijke vraagstukken.
Hofmans noemt zijn organisatie ’informeel’. Zijn adviseurs reizen het hele land af om non-profit organisaties, gemeentes en ministeries te adviseren over thema’s als vergrijzing, inburgering en hangjongeren. Hofmans: „We zijn geen bank, en we werken ook niet, zoals de adviseurs van Deloitte, allemaal strak in pak. Maar we besteden toch echt wel aandacht aan hoe we overkomen.”
„Zo hebben we een keer een wedstrijd gehouden wie de best geklede medewerker was. Weken van tevoren hielden een aantal mensen met scorelijsten bij wie er het best uitzag. Daarnaast hebben we ook workshops georganiseerd waar specialisten persoonlijk advies gaven over hoe je kleuren combineert, en wat wel en niet goed bij je past.”
Echte voorschriften zijn er bij Radar niet, zegt hij: „Er zijn ook adviseurs die soms kiezen om een pak aan te doen. Stropdassen niet hoor, die zijn bij ons echt verleden tijd”, zegt de directeur lachend. „Ik vind het vooral belangrijk dat er niet een te groot ’gat’ ontstaat tussen de adviseur en de klant. Als ik voor een opdracht bij een gemeentehuis kom, en ik ben de enige in de groep die een jasje aan heeft, dan heb ik toch snel de neiging om het weer uit te trekken.”
Maar zelfs bij organisaties waarbij de werknemers bijna vanzelfsprekend in ’jasje, dasje’ lopen, lijken ze zich steeds meer te realiseren dat het persoonlijke, en het ’eigen’ meer aandacht verdient. „Wij willen onze medewerkers niet verstoppen in grijze pakjes, het gaat ons om de mens achter de kleding”, vertelt Jacqueline van der Laan, ze is coördinator van de verkoopadviseurs bij SNS Reaal.
De bank heeft, met de invoering van de bankwinkels in juli vorig jaar, afscheid genomen van de traditionele ’kantoorklerk’. In de filialen werken adviseurs, geldzaken doen de klanten elektronisch.
Van der Laan: „Toen we nog in ouderwetse kantoren werkten, waren de kledingregels veel strenger, er werd verwacht dat je in driedelig pak of mantelpak verscheen. Met de opening van de winkels hebben we besloten dit, ongeschreven, kledingbeleid los te laten. Werknemers moeten zich houden aan een aantal richtlijnen, maar zijn daarnaast in zekere mate vrij om te dragen wat zij willen. We zijn moderner geworden, en daar hoort een persoonlijke uitstraling bij.”
Banken die vrijer worden in hun kledingvoorschriften, betekent dit het einde van het zakelijke kostuum? Fokke de Jong van Suitsupply schudt zijn hoofd: „Je kunt misschien zeggen dat het driedelig pak de afgelopen jaren aan populariteit heeft verloren, mensen kozen vaker voor een mooie spijkerbroek in combinatie een bloemenoverhemd onder hun jasje: ’Lang leve de lol’, straalde dat uit.”
Maar met de kredietcrisis is daar volgens de directeur een einde aan gekomen: „Nu kan het wel wat minder, hebben veel mensen gedacht. Het afgelopen jaar zie je dat juist het traditionele pak weer bezig is aan een opmars: brede krijtstrepen en felle kleuren zie je niet meer zoveel, het gaat veel meer om de touch: de kleine details en de kwaliteit van de stof.”
Al pratend laat De Jong zijn handen glijden over honderden jasjes, hij past er een aantal om te demonstreren wanneer iets goed ’valt’, ondertussen maakt hij ook nog een praatje met een nieuwe werknemer in de winkel. Hij wijst de jongen op zijn beginnende baard: die moet er af. Later licht hij toe: „Het staat hem niet, en je moet er in deze winkel natuurlijk wel verzorgd uitzien.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.