Het draait in de islam slechts om seks, geld en geweld, meent Ayaan Hirsi Ali. Ze roept op tot een keiharde confrontatie. Een heilloze weg, vindt Willem Breedveld.
De laatste keer dat ik Ayaan Hirsi Ali sprak, in 2005, verzekerde ze me vriendelijk glimlachend dat er voor mij op termijn weinig anders resteert dan genoegen te nemen met de status van dhimmy: die van een tweederangs burger in een door de radicale islam en de sharia gedomineerd land.
Ze deelde mijn geloof in de mogelijkheid van een pluriforme samenleving. Ze is er zelfs een warm voorstander van. Maar, hield ze me voor, de islam zal met zo’n samenleving nooit genoegen nemen. En dus heeft het Westen geen andere mogelijkheid dan deze godsdienst geharnast tegemoet te treden.
In haar jongste boek blijkt de spraakmakende, liberale politica van weleer er nog precies zo over te denken. Met dit verschil dat ze subtieler te werk gaat. Vroeger deinsde ze er niet voor terug de Profeet ’achterlijk’ te noemen, een ’perverse tiran’ zelfs en riep ze samen met haar toenmalige fractiegenoot Geert Wilders de natie op om de islamitische djihad met een liberale jihad te pareren. In dit boek legt ze omstandig uit hoezeer de islam het product is van en verweven is met de keiharde clancultuur van woestijnvolken. Die cultuur heeft misschien ooit zijn nut bewezen, als een middel om onder barre omstandigheden te overleven. Maar in deze moderne tijd is hij onbruikbaar, onproductief en volstrekt achterhaald. Het relaas van Hirsi Ali lezend lijkt er veel voor deze stelling te zeggen. Ze beschrijft indringend en in beeldrijke taal de lotgevallen van haarzelf, als dochter van de vooraanstaande Somalische Magan-clan, die van haar vader, haar moeder, haar zus, haar halfzus, haar broer, haar neven en nichten en vooral niet te vergeten, die van haar grootmoeder.
Van dat relaas wordt een mens niet vrolijk. Vader, half zus, neven en nichten leven of leefden in Engeland of Amerika, maar maken of maakten er niets van. De moeder en de rest van de familie leidt een kommervol bestaan in Somalië, haar talentvolle broer liep hopeloos vast en werd manisch-depressief. De enige die het gemaakt heeft, is Hirsi Ali. Tevens de enige die bereid was de prijs te betalen van het opgeven van de clancultuur en te kiezen voor de zoveel succesvollere overlevingsstrategie van het Westen.
Dat het zo uitpakte, is volgens Hirsi Ali allerminst toeval. Haar clangenoten hielden onvoorwaardelijk vast aan de clancultuur en aan de islam, ook degenen die de stap hadden gemaakt naar het Westen. Ze sloten zich zelfs met nog meer dwang op in die cultuur dan in eigen land. En met afgrijzen noteert ze hoe het toegaat in de Londense moslimwijk Whitechapel Road. Daar rukt de sluier en zelfs de boerka op ’als een weloverwogen teken dat vrouwen persoonlijk eigendom zijn. Non-personen dus. De sluier beperkt hen, sluit hen op, bereidt hen voor op volgzaamheid’. Woedend is ze dat deze onderdrukking in het Westen stilzwijgend wordt geaccepteerd, terwijl die hen tot armoede veroordeelt en maakt dat ze in een vrije samenleving in een gevangenis leven.
Eenmaal op stoom blijkt Hirsi Ali niet meer te stuiten. Bladzijden lang lezen we dat het in de islam en de clancultuur maar om drie dingen gaat: seks, geld en geweld. Seks voor de mannen dan, want de vrouw wordt veroordeeld tot seksloosheid. Zij moet onbevlekt het huwelijk in, reden om haar van top tot teen met lappen te omhullen, als ware haar lichaam ’één groot geslachtsdeel’, en haar vaak ook ingrijpend te besnijden.
Deze onbarmhartige behandeling dient geen ander doel dan de prijs voor haar bruidschat hoog te houden. Want daar draait het volgens Hirsi Ali om: niet de eer, maar het geld. En om dat kracht bij te zetten is het gebruik van geweld algemeen geaccepteerd. Jongens worden ermee opgevoed om geweld te gebruiken en meisjes hebben het maar te ondergaan.
Eigenlijk is het nog een wonder dat er in die wereld nog zoiets als liefde bestaat, tussen man en vrouw, of tussen ouders en kinderen. Toch is die er, diep verborgen. Hirsi Ali houdt van haar familie en dat is wederkerig. Maar je moet niet vragen hoe. Tot op zijn sterfbed houdt de vader haar nog voor een afvallige, alleen uit het oplichten van zijn ogen blijkt de liefde en iets soortgelijks geldt voor de moeder, die de spaarzame telefoongesprekken aangrijpt om de dochter op te roepen zich aan Allah te onderwerpen. Begrijpelijk daarom dat alles zich in de dochter verzet tegen een godsdienst die normale liefde tussen mensen onmogelijk lijkt te maken. Maar is het daarmee ook wijsheid om aan te sturen op een keiharde confrontatie met de islam?
In haar boek laat ze er geen twijfel over bestaan. De islam is tot geen enkele concessie bereid. Een gematigde islam bestaat niet. Tot haar afgrijzen ziet ze zelfs hoe ook onder moderne, hoog opgeleide immigranten een zuivere, radicale islam opbloeit, die aanstuurt op onderwerping. Zij hekelt haar nieuwe vaderland dat het dit gevaar niet of onvoldoende onderkent. En in haar wanhoop over een verloren strijd roept ze zelfs de rooms-katholieke kerk op om de concurrentieslag met de islam aan te gaan. Liever een lieve Jezus dan een onbarmhartige Profeet. Want de islam, schrijft ze, roept op de ongelovige te doden, hen met geweld te beheersen, homo's en echtbrekers te doden, Joden te veroordelen en vrouwen als vee te behandelen.
Maar het grootste gevaar is volgens haar het antisemitisme van de Arabische islam. Voor hen is de Jood de belangrijkste vijand en anders dan de nazi’s destijds hebben zij een wereldgodsdienst achter zich: ,,Hitler had Mein Kampf en de slagkracht van de Wehrmacht, de eigentijdse antisemieten hebben een heilig boek en een groter leger geloofsgenoten en een gerede kans op een kernwapen.’’ Voor wie er zo over denkt is een keiharde confrontatie de enige mogelijkheid. In die zin begrijp ik dat ze iedereen die er anders over denkt als evenzoveel handlangers van de djihad beschouwt, als potentiële dhimmy’s.
Keerzijde van deze visie evenwel is dat ze er klakkeloos vanuit gaat dat anderhalf miljard moslims zo’n boodschap voor zoete koek slikken en aanvaarden als de opperste openbaring. Wat onwaarschijnlijk is en ook niet waar. Zelfs de islam is niet van beton. Keerzijde is ook dat zo’n confrontatie alleen maar koren op de molen is van de islamisten die Hirsi Ali juist wil bestrijden. Het is ook een belediging voor moslims als zodanig, alsof hun geloof niet verder reikt dan de clancultuur van een woestijnvolk.
Intussen noteer ik ootmoedig dat ik me met deze tegenwerpingen bij voorbaat neerleg bij mijn toekomstige staat als dhimmy, als tweederangs burger dus. Dat moet dan maar. Het zal wel met mijn clancultuur te maken hebben.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.