Er zat bij Groningen een bever op het ijs. Hij scharrelde wat, hij knaagde wat, hij hobbelde onbeholpen rond. Er worden vaak bevers gezien door mensen die niet weten dat een muskusrat op een kleine bever lijkt.
Muskusratten hebben ook zo’n snuit met eigenwijze tanden. Ze hebben zelfs een platte zwemstaart. Maar die slingert als een slang heen en weer; hij is verticaal afgeplat. De beverstaart is plat in het platte vlak: een bever kan er een klap mee op het water geven, om zijn soortgenoten te waarschuwen dat er een wandelaar met verrekijker nadert.
Op zijn staart zou een bever een hele muskusrat kunnen dragen. Een beverstaart kan vijftien centimeter breed en dubbel zo lang worden. Met een meter van neus tot staart is de bever het grootste knaagdier van Europa. Een knaagdier moet knagen; anders worden zijn tanden te lang. Een muskusrat knaagt aan riet voor zijn burcht, een bever knaagt aan takken voor zijn burcht. Bevers werpen dammen op als ze in stromend water de waterstand willen opkrikken.
Ze wonen graag op een eiland. Ze zijn handig met hun tanden en hun handjes. De bevers van Nederland zijn niet zo bouwlustig. Nederlanders zijn immers zelf al druk in de weer met waterwerken en -standen. Er is haast geen waterpeil te vinden dat schommelt. Met boezems, gemalen en uitwateringssluizen houden we het water op niveau. ’s Zomers wat hoger, ’s winters wat lager dan het in de natuur zou gaan. De bevers varen er wel bij. Die bever op het ijs glijdt het water in. Zo onbeholpen als hij op het ijs krabbelt, zo snel en handig schiet hij onder water.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.