Wat een heerlijke lentemorgen, de eerste waarop de zon schijnt en het niet vriest. Mezen, heggemussen, zanglijsters, merels, groenlingen en vinken zingen door elkaar heen. Het wachten is op de tjiftjaf. Grutto’s, kieviten en scholeksters roepen, kraaien en eksters krassen, er wordt geruzied, er wordt gepaard, er wordt genesteld. Gisteren paarde ons echtpaar huiseend in het water naast ons huis. Woerd op eend, van wie alleen de kruin en snavelpunt boven water uitstaken. Het zag er ongemakkelijk uit, maar het duurde niet lang en na afloop maakte eend een zeker zo tevreden indruk als woerd.
Vanmorgen, voor u inmiddels gisteren, doken ook twee eenden naast ons huis op. Geen huiseenden, maar een paartje grote zaagbek, in vol broedornaat, de grijze eend met bruine kop, de witte woerd met zwartgroene kop en rug. De woerd is niet zomaar wit, maar oogverblindend wit in de felle morgenzon. De snavel van de eend is roodbruin, die van de woerd vuurrood. Een meerkoet die de broedplek van vorig jaar ingenomen heeft voor hergebruik, hield de vreemde kostgangers wantrouwig in de gaten. Zaagbekken zijn broedvogels van het hoge noorden en noordoosten. Deze twee hebben nog een paar duizend kilometer voor de boeg. Ze zullen wel samen vliegen, ze zijn echt een stelletje. Tegelijk duiken ze onder, tegelijk komen ze boven.
Dan zijn er minuten verstreken en tientallen meters afgelegd. Zaagbekken zwemmen onder water achter visjes aan. Ze happen naar kleine visjes die ze tussen hun kaken klemmen. Op het haakpuntje na zijn hun snavels recht en dun. Boven- en ondersnavel zijn gekarteld, zodat ze grip hebben op een glibbervisje. Aan die snavel danken ze hun naam.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.