*

 

Verborgen stroperigheid in China

Kees de Vré − 16/03/10, 00:00

De daadkracht in China wordt in Nederland geregeld geroemd wanneer die zich vertaalt naar duurzame projecten. Geen polderen en geen trage besluitvormingsprocessen, zo lijkt het tenminste. Maar is die rozige blik wel terecht?

  •  (Trouw)
    (Trouw)
  • Chinese arbeiders eten hun lunch, vlakbij een van de vele windmolens die China inmiddels rijk is.  (FOTO REUTERS)
    Chinese arbeiders eten hun lunch, vlakbij een van de vele windmolens die China inmiddels rijk is. (FOTO REUTERS)

In slechts een jaar tijd een metro in Shanghai uit de grond stampen, of de Gobi-woestijn volzetten met windmolens. Dat is nog eens doorpakken! Deze Chinese daadkracht zou ook in ons deel van de wereld de alom aanwezige ’ik-cultuur’ kunnen overstijgen en eindelijk het algemeen belang weer op de voorgrond zetten. Zo kan de duurzaamheid de benodigde grote stappen voorwaarts maken, want duurzaamheid is in ons aller belang.

Deze rozige blik op de Chinese aanpak, in meer of mindere mate uitgedragen door een aantal toppers uit de duurzame 100 van Trouw, stuitte de Delftse hoogleraar bestuurskunde Michel van Eeten behoorlijk tegen de borst, zo liet hij vorige week in deze krant weten. Hij adviseerde te gaan praten met zijn collega bestuurskundigen Hans de Bruijn en Martin de Jong. Die hebben ervaring met de Chinese praktijk. Beide hoogleraren doceren er een flink aantal maanden per jaar.

„In iedere samenleving is de overheid afhankelijk van allerlei andere spelers”, stelt De Bruijn ter introductie. „Overheden, bedrijven en burgers hebben elkaars steun nodig, in China net zo goed als in Nederland. Dat levert het risico van traagheid op, die is ingebakken in onze samenleving. Dat is een moderne samenleving waarin vele netwerken opereren die van elkaar afhankelijk zijn. Je kunt als overheid niet iets doordrukken. Dat is onmogelijk. Daarop afgeven heeft echt geen zin.

„Bovendien moet je oppassen niet het kind met het badwater weg te gooien. Democratie staat ook voor zaken als mensenrechten.”

Wat wel wezenlijk anders is in China is de mentaliteit. Het is ook altijd een autocratische samenleving geweest, zegt De Jong. „Tot aan het eind van de jaren ’70 was het een erg arm land. Door het langzaamaan toelaten van marktmechanismen is het land bezig op te krabbelen. In de dertig jaar dat dat nu aan de gang is, is er een tomeloze energie en enthousiasme vrijgekomen. Allerlei trends worden overgenomen. Duurzaamheid is daar een van. In Nederland maalt men daar niet zo om. In China speelt het een grote rol. Iedereen wil het. Tussen steden woedt een prestigestrijd wie de meest duurzame is.”

Oponthoud bij de introductie van of zelfs obstructie tegen trends komt amper voor. De Bruijn: „Men is niet gewend om vragen te stellen. Er is vertrouwen in de autoriteiten totdat het tegendeel blijkt. Bovendien is er groeiende welvaart, dus is er geen reden tot klagen.”

„In China is men ook voorzichtiger met zich te uiten”, vult De Jong aan. „Als men denkt er niet echt verstand van te hebben, houdt men zich gedeisd. In Nederland is er toch een sfeer van grote monden ontstaan. Men is verwend geraakt door al die aandacht voor persoonlijke belangen. Hoewel ik vind dat het algemeen belang niet bestaat, moet die fragmentatie in de samenleving niet eindeloos worden opgerekt. Dat is slecht voor de democratie.”

De Jong wijst erop dat China vooral een meritocratisch land is geworden. „Je komt vooruit op grond van prestaties. De communistische partij selecteert al lang niet meer op grond van de juiste ideologische houding. Ook daar is kennis het belangrijkste selectiecriterium. Dat doet ze natuurlijk om de macht te behouden. Dat gaat niet meer door te zwaaien met rode boekjes, maar door problemen op te lossen. Dat geeft de burger vertrouwen.”

China is ook een hiërarchisch land. De Bruijn: „Dat betekent niet dat alle beslissingen worden genomen zonder inspraak. Integendeel zou ik bijna zeggen. Hoe centralistischer een bestuursmodel, des te sterker is de lobby richting de beslissers en des te belangrijker zijn de informele lijnen. Persoonlijke banden zijn daarbij van belang. Dat is in feite hun poldermodel. Je ziet het alleen niet, als buitenstaander.” De Jong vult aan: „Het gebeurt bijvoorbeeld onder het eten. En Chinezen eten erg vaak. Er wordt ook niets opgeschreven. Dat kan inderdaad leiden tot geldstromen die er eigenlijk niet moeten zijn. In het ontwikkelde, welvarende zuidoosten van het land komt er trouwens steeds minder corruptie voor. Daar wordt meer en meer geformaliseerd.”

Dus als het gaat om bijvoorbeeld een metro bouwen, wat zijn dan de verschillen tussen de Nederlandse democratie en de Chinese praktijk? De Jong: „Het proces in Nederland is van het begin af aan open. De discussies liggen op straat. Je ziet het opportunisme, de obstructies, de strategische zetten. Daar staat men met de neus boven op en dat geeft dan al gauw de indruk van stroperigheid.” De Bruijn: „Met mijn Chinese studenten heb ik de besluitvorming bij de metrobouw in een grote Chinese stad bekeken. Dat duurde ook heel lang, maar dat is veel minder zichtbaar. De relaties met de beslissers worden bewerkt, je moet concurreren met anderen die dat voor hun project ook doen en dat gebeurt niet in het openbaar. Als het besluit er eenmaal ligt gaat het pijlsnel. Wij zien alleen dat laatste stukje en dan lijkt besluitvorming daadkrachtig.”

De Jong vindt dat het Franse systeem enigszins op dat van China lijkt. „Van Frankrijk wordt ook vaak gezegd dat er meer daadkracht is dan in Nederland. Kijk naar de aanleg van de hogesnelheidslijnen daar en vergelijk dat met het gedoe hier. Frankrijk kent een systeem van de speciale hogescholen waar de bestuurlijke elite – zowel de politieke als economische – wordt gevormd. Zo ontstaan persoonlijke banden die een proces – de aanleg van hogesnelheidslijnen bijvoorbeeld – informeel en weinig zichtbaar gaande houden.”

Maar, zegt De Bruijn, „ook in Frankrijk wordt geklaagd over polderen en stroperigheid. Elke moderne samenleving kenmerkt zich nou eenmaal door netwerken van afhankelijkheden. Het gedoe is in Frankrijk wel minder zichtbaar. Fransen hechten aan façade, de mythe van de staatsmacht.” De Jong: „Ook in Zuidoost-China is dit inmiddels aan het ontstaan. Daar lijken burgers ook minder makkelijk te accepteren dat de overheid aan hun domein komt.”

Duurzaamheid is een kwestie net als alle andere, zeggen beide profs nuchter. De Bruijn: „Die belangenstrijd is een spel en dat moet je kunnen spelen. In China net zo goed als in Nederland.” De Jong: „Duurzaamheid is een belangrijk onderwerp als de burgers dat belangrijk vinden. Als iemand als Louise Fresco vindt dat er te weinig gebeurt, is dat een uitvloeisel van de politieke voorkeuren en prioriteiten van burgers. Dan moet daar kennelijk iets aan veranderen. Het probleem ligt niet bij het bestuurlijk systeem.”

In autocratische bestuurssystemen zoals China die kent, gaat ook veel fout. De Jong: „Zeg maar gerust dat er soms catastrofale beslissingen worden genomen. De razendsnelle bouw van steden bijvoorbeeld om de vloed aan nieuwe bewoners te kunnen bergen. De foutmarges bij het bouwen zijn groot. Er gebeuren relatief veel ongelukken. Ze zijn bijvoorbeeld zo kien op duurzaamheid dat er vele eco-steden staan gepland. Daarvan wordt zeker niet alles gerealiseerd. Er is dan geen vertrouwen bij de uitvoerders. Toch gaat veel goed en daar moeten wij van leren.”

De Bruijn: „En bedenk, in Nederland onderzoeken we alles. In China is onderzoek naar besluitvorming veel lastiger, ook weer erg afhankelijk van relaties. Ik zie het aan mijn studenten. Hun onderzoek is erg afhankelijk van de contacten met die ene oom.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />