Tante Gré nam ons mee naar de Hoge Veluwe. Het was rond 1970, wij hadden geen auto, want mijn vader werkte bij het spoor, maar tante Gré paste soms een weekje op. Tante Gré had een Kever.
Zij boog zich over het stuur, met haar neus tegen het raam. Mijn broer zat naast haar en las kaart. Mijn zussen bevolkten de achterbank en ik mocht (moest) in de kattebak. Geen idee waarom zo’n inwendige kofferbak kattebak heet. Dan gingen we een eindje rijden. In die tijd reden de mensen een eindje.
De Hoge Veluwe was meer dan een eindje rijden. Daar waren wilde zwijnen. De eerste keer hoorden we gescharrel en gesnuif. We slopen door de bomen. Tante Gré waarschuwde voor eenzame, oude beren. Beren? Ja, dat zijn de mannetjes, de vrouwtjes zijn zeugen. We bleven binnen vluchtafstand van de auto. Hoe we ook slopen en fluisterden, we zagen de beer niet. Die liet zich niet schieten voor hij zijn huid verkocht had. We zagen ook geen zeugen. We pakten het helemaal verkeerd aan. Later keken we de kunst af van andere automobilisten.
Je hoefde maar met de portieren te slaan of de zwijnen zwermden om je heen, als Yogi bears in Yellowstonepark. Ze waren gewend aan automobilisten met schillen en oud brood. De biggetjes sjeesden razendsnel rond in hun gestreepte gevangenispakjes. Niet dichtbij de biggen, pas op voor de zeug! Terug in de veilige Kever keek tante Gré me wantrouwig aan. ’Wat eet jij daar?’ ’O niks.’ Maar ik moest het opbiechten. Brood van de grond, brood voor de zwijnen. Ik moest uitstappen en uitspugen. Tante Gré griezelde, broer en zussen lachten.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.