De verkiezingen in Irak moeten uitwijzen of het land klaar is voor het post-Amerikaanse tijdperk. Maar erg volwassen stellen
Het is niet moeilijk te bedenken wat de Irakezen nodig hebben. Water. Een riolering. Elektriciteit. Onderhoud aan de infrastructuur. Ontwikkeling van de nationale olie-industrie, de inkomstenbron die dit alles mogelijk moet maken. En natuurlijk een einde aan het geweld.
De politici die de Irakezen morgen kiezen om het land de komende vier jaar te leiden, moeten hiervoor gaan zorgen. Maar dat ze deze onderwerpen hoog op hun agenda hebben staan, daar bleek de afgelopen weken weinig van.
De aanloop naar de verkiezingen werd overschaduwd door politiek gekrakeel. Zo moesten de verkiezingen twee maanden uitgesteld worden, omdat verschillende facties in het parlement geen akkoord konden sluiten over een nieuwe kieswet. Arabieren en Koerden stonden lijnrecht tegenover elkaar (zie ook reportage hieronder).
Sinds januari gaat het alleen nog maar over welke politicus banden heeft met de Baath-partij, het politieke vehikel van de verdreven dictator Saddam Hoessein. Een speciale commissie, onder leiding van Ahmed Chalabi (zie kader), onderzoekt wie fout is geweest en wie dus niet mee mag doen in de politiek.
Dat onderzoek doet de commissie al jaren. Dat ze precies anderhalve maand voor de verkiezingen met een lijst van ruim vijfhonderd uitsluitingen kwam, onder wie enkele prominente soennieten, schoot menigeen daarom in het verkeerde keelgat. Vooral soennieten zagen er een poging in om hun vertegenwoordigers uit te schakelen. En dat terwijl deze verkiezingen de soennieten juist moeten betrekken in het politiek proces – nadat ze de vorige verkiezingen boycotten.
De manier waarop de huidige premier Noeri al-Maliki reageerde op de gang van zaken, was bovendien niet bemoedigend. Maliki – die een van oorsprong religieuze sjiitische partij vertegenwoordigt – heeft de afgelopen jaren geprobeerd boven de strijdende partijen in Irak te staan. Hij keerde zich tegen sektarisch geweld, en schroomde niet om ook sjiitische militanten aan te pakken.
Maar nu liet de premier deze houding varen: hij sloot zich bijna direct aan bij de uitsluitingen. Misschien riskant: het kan hem stemmen kosten van Irakezen die genoeg hebben van de strijd tussen soennieten en sjiieten. Zeker omdat Maliki’s andere grote troef – het is onder zijn leiding veiliger geworden in Irak – onder druk staat. Sinds een half jaar hebben soennitische extremisten een aantal grote aanslagen gepleegd op doelwitten als ministeries.
Dit terwijl de tijd dringt voor de Irakezen om hun lot in eigen hand te nemen. Halverwege dit jaar trekken de laatste Amerikaanse gevechtstroepen zich terug uit Irak. Dan zullen er nog zo’n 50.000 manschappen overblijven die vooral advies- en trainingstaken hebben. Zij zullen voor 2012 vertrekken.
Daarna zal Irak, onder leiding van de regering die na deze verkiezingen wordt samengesteld, het alleen moeten rooien. Cruciaal zal zijn of het land erin slaagt om financieel te floreren. Maliki staat zich erop voor dat hij het afgelopen jaar meerdere buitenlandse energiemaatschappijen heeft binnengehaald om de gigantische olievelden in (vooral) het zuiden van het land te ontwikkelen.
Maar juist die buitenlandse multinationals zullen scherp kijken naar wat deze verkiezingen brengen. Is het een stap naar verzoening tussen sjiieten en soennieten? Tussen Arabieren en Koerden? Want Shell en consorten hebben, net als de Irakezen, behoefte aan rust.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.