In de campagne ging alle aandacht weer naar zwevende kiezers, een kleine minderheid. Terwijl de andere groep ook een interessant verhaal heeft.
Ik ben misschien wel de saaiste kiezer van Nederland. Aan mij valt voor politiek en media geen eer te behalen. Ik stem namelijk al sinds ik stemrecht heb op dezelfde partij. Niet dat ik lid ben van die club, en bij elke verkiezing denk ik serieus na over de vraag of ik misschien moet overstappen naar een ander. Maar uiteindelijk gebeurt het nooit. Alles afwegende kom ik steeds weer uit bij ‘mijn’ partij. Daarop heb ik dus afgelopen woensdag gestemd en dat ga ik in juni waarschijnlijk weer doen.
Ik ben geen zwevende kiezer, ik ben een klevende kiezer.
En daarmee niet interessant. Geen pakkend onderwerp voor een straatinterview of ’Rondom 10’. Klevende kiezers zijn electoraal behang.
Op zich begrijp ik dat best. Nieuwsmedia hebben per definitie vooral aandacht voor wat verandert, niet voor wat hetzelfde blijft. Dus logisch dat zij vooral aandacht besteden aan die mediagenieke zwevers. En eveneens logisch dat ook politici zich vooral op die groep richten. Bij de zwevers valt nog winst te boeken, de vaste aanhang heb je al binnen.
Alleen ontstaat hierdoor wel een vertekend beeld. Er gaat onevenredig veel aandacht uit naar een groep die feitelijk een minderheid is. Bij landelijke verkiezingen stemt ongeveer tweederde op dezelfde partij als de vorige keer. Slechts een derde van de kiezers wisselt. Eigenlijk wringt hier de logica van de democratie met de logica van nieuwsmedia en campagnevoerende politici.
In de democratische logica zijn alle kiezers gelijk en verdienen zij evenveel aandacht. In de medialogica daarentegen lijken de zwevers toch net wat ’gelijker’ dan de klevers. (Waarschijnlijk is het dezelfde logica die ertoe leidde dat in 2002, toen 15 procent van alle kiezers besloot te stemmen op de LPF en Leefbaar Nederland, er alom werd gesproken van een ‘opstand der burgers’. Alsof die andere 85 procent van de Nederlanders geen burgers zouden zijn).
De klevende kiezers worden in de beeldvorming dus naar het tweede plan gedrukt. En als we niet uitkijken ook in de reële politiek.
Een overdreven focus op verandering kan leiden tot het eigenaardige misverstand dat de vraag wie er mag regeren, niet afhankelijk is van wie in totaal de meeste stemmen heeft gekregen, maar van wie de meeste stemmen heeft gewonnen of verloren. In die redenering mogen de PVV en D66 gaan regeren omdat ze flink hebben gewonnen, en moeten het CDA en PvdA de oppositie in omdat ze flink hebben verloren. Alsof al die mensen die trouw zijn gebleven aan hun partij niet zouden meetellen.
Wie zijn eigenlijk die zwevende kiezers? Soms wordt verondersteld dat het slecht geïnformeerde leeghoofden zijn, die als stuifzand van partij naar partij waaien, afhankelijk van de hype van het moment en de protestpartij du jour. Anderen beweren precies het omgekeerde.
Theoretici over modernisering zeggen soms dat juist de zwevende kiezers de nadenkende kiezers zijn. Vergeleken met de klevers, zouden zwevers meer geïnteresseerd zijn in politiek en ook beter geïnformeerd, en daardoor beter in staat om weloverwogen te kiezen. De klevers zouden daarentegen gebukt gaan onder een soort ’zuil-reflex’. Zonder nadenken zouden zij automatisch stemmen op de partij van ’hun soort mensen’. Hun stemgedrag zou een -- overigens uitstervende -- vorm zijn van groepsloyaliteit.
Beide veronderstellingen zijn nogal beledigend. Ze zijn ook beide onjuist. Uit het verkiezingsonderzoek van de Nederlandse universiteiten blijkt onomstotelijk dat zwevers en klevers nauwelijks verschillen in bijvoorbeeld opleiding of politieke interesse. Evenmin is er veel verschil in politiek cynisme of zelfvertrouwen.
Des te spijtiger dat we zo weinig horen over de klevers. Hun verhaal zou namelijk best eens leerzaam kunnen zijn. Waarom houden klevende kiezers -- ondanks alle grote veranderingen in Nederland, ondanks hun mogelijke onvrede over de prestaties van hun partij -- toch vast aan hun oude stemvoorkeur? Zoek het eens uit. Misschien leren we daarmee wel iets wezenlijks over waarden, afwegingen en overtuigingen die minder gevoelig zijn voor de omstandigheden van het moment. Misschien leidt het zelfs tot een minder consumentistisch beeld van de hedendaagse kiezer.
Bovendien: enige nieuwsgierigheid naar de motieven van degenen die trouw blijven aan de traditionele partijen, kan ook bijdragen aan beter begrip van hun tegenpool, de boze burgers die zweven naar één van de ’tegenpartijen’. Nu de PVV zo sterk in opkomst is, zullen politiek en media ongetwijfeld nog harder hun best doen deze groep in beeld te brengen. Ik voorzie vele wijkbezoeken, buurtreportages en portretten van ‘verliezers van de modernisering’. Maar pas op.
Wie voor een verklaring van stemgedrag alleen naar de zwevers kijkt, loopt het risico van een logische redeneerfout. Je kunt deze groep wel vragen waarover ze zo boos zijn, maar als zij vervolgens antwoorden dat ze zich onveilig voelen, of dat ze tegen ’de afbraak van de verzorgingstaat’ en tegen ’de buitenlanders’ zijn, mag je daaruit niet concluderen dat dit ook de oorzaken zijn van hun tegenstem. Er zijn veel klevende kiezers die zich evenzeer grote zorgen maken over die kwesties, maar die desondanks op één van de traditionele partijen stemmen.
In feite zijn veel zorgen van de zwevers allesbehalve uniek. Uit opinieonderzoek van het SCP blijkt dat de meeste Nederlanders de criminaliteit echt als een groot probleem zien, dat een meerderheid vreest dat het allemaal slechter zal worden met de sociale zekerheid, en dat ongeveer de helft forse bedenkingen heeft bij ‘de buitenlanders’. Maar waarom vertaalt zich dat bij de meeste Nederlanders dan niet in een ’tegenstem’?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.