Door de groei van de sociaal-democraten ontstond na de Kamerverkiezingen van 1913 een patstelling. De christelijke partijen waren hun meerderheid kwijt, de liberalen konden alleen de macht overnemen als de opkomende arbeiderspartij bereid was mee te doen aan een ‘burgerlijke regering’. Dat was de partij van Troelstra niet; ze voelde zich nog te klein om beslissende invloed uit te oefenen. De uitkomst van de formatie was een extraparlementair minderheidskabinet onder leiding van de liberaal Cort van der Linden.
Aan deze mogelijkheid valt sterk te denken, als het na de verkiezingen van 9 juni niet mogelijk is een parlementair meerderheidskabinet te vormen. Dat lijkt op een zwaktebod, maar dat hoeft het niet te zijn. Het kabinet-Cort van der Linden bracht veel tot stand tot welzijn van het volk, en tegelijkertijd loodste het de natie, behendig manoeuvrerend om de neutraliteit te bewaren, door de Eerste Wereldoorlog die rondom onze grenzen woedde.
De dreigende patstelling kan zelfs een vermomde zegen zijn, om verschillende redenen. De eerste is dat parlementaire meerderheidskabinetten allesbehalve een garantie zijn voor stabiel bestuur. Integendeel. De laatste drie meerderheidskabinetten-Balkenende sneuvelden voortijdig. Niet alleen door gebrek aan leiderschap van JP, maar ook en vooral door de groeiende labiliteit van de politieke partijen. Het CDA had daar tot nu toe het minste last van, maar na woensdag weet het beter.
Die labiliteit werkt alleen maar in het nadeel van een kabinet met sterke partijpolitieke bindingen. In het vierde kabinet-Balkenende deed dat nadeel zich nog sterker gevoelen, doordat de drie partijleiders van de coalitie de onverstandige beslissing hadden genomen er zitting in te nemen. Als gevolg daarvan was het kabinet niet in staat een zelfstandige positie in te nemen en een beleid te ontwikkelen dat de enge partijbelangen oversteeg. Het kabinet-Cort van der Linden trad destijds in de Kamer aan ‘niet met het oog op enige partij hier, maar met het oog op hoger gericht, op het belang van het land’.
Zonder twijfel hebben de oorlogsomstandigheden ertoe bijgedragen dat dit minderheidskabinet de rit volledig uitzat en zelfs nog wat langer kon aanblijven, maar een feit is dat de ploeg veel tot zegen van de natie tot stand bracht, zoals de invoering van het algemeen kiesrecht en een nieuw kiesstelsel, de financiƫle gelijksteling van het bijzonder aan het openbaar onderwijs en het besluit tot aanleg van de Afsluitdijk. Daarnaast voerde het een actieve neutraliteitspolitiek, besloot het tot mobilisatie van het leger en ving het ongeveer een miljoen vluchtelingen op.
De omstandigheden zijn niet vergelijkbaar. Maar met het terugdringen van de megastaatsschuld dient zich wel een nationale opgave aan. De twee grootste bestuurspartijen bleken daartoe, tot hun schade en schande, samen niet in staat. Zij weigerden vorig jaar bij de besluitvorming over de crisisaanpak zelfs de uitgestoken hand van D66 en GroenLinks. Een sterker bewijs voor de naar binnen gekeerde houding kon het niet leveren. De logische keerzijde van dit doorgefourneerde monisme was het weglopen van de PVV uit de Kamer.
Dat levert de tweede reden op voor een extraparlementair kabinet. Cort van der Linden wees er in zijn regeringsverklaring op dat door het ontbreken van partijbinding de regeringsverantwoordelijkheid bij de regering kon worden gelaten, zoals het constitutioneel ook hoort. Dat brengt als vanzelf mee dat ook het parlement zijn verantwoordelijkheid beter tot gelding kan brengen en aan gezag zou kunnen winnen. Macht wordt niet zwakker maar sterker van stevige tegenmacht, anders dan Balkenende en Bos veronderstellen.
De derde reden voor een zelfstandig kabinet is dan ook dat met het herstellen van de zuivere constitutionele verhoudingen in ons politieke bestel het democratisch bewustzijn weer een beetje kan terugkeren. Dat bewustzijn lijdt steeds sterker onder de leiderschapscultus, die twee kwalijke gevolgen heeft. De eerste is dat de democratie als uitdrukking van een politieke gemeenschap aan het oog wordt onttrokken. De politieke strijd is ontaard in een soort ’Idols’. Agnes Kant van de SP is vooral daarvan het slachtoffer geworden. Zij hervond pas zichzelf weer na haar besluit terug te treden.
De druk op partijaanvoerders om boegbeeld van hun partij te zijn, leidt tot verkramping, overspannenheid en, het ergste nog, verlies van oog voor de werkelijkheid. Femke Halsema van GroenLinks was in het tv-debat na de raadsverkiezingen de enige die tot een meer afstandelijke analyse van de politieke situatie in staat bleek. De andere kopstukken namen in de uitslag een realiteit waar, die veel kijkers niet anders dan een gevoel van vervreemding kan hebben gegeven.
Daaruit volgt de vierde reden voor een extraparlementair kabinet. Cort van der Linden kon volgens zijn biograaf Johan den Hertog een zelfstandige koers varen, omdat hij als minister vertrouwenwekkend en overtuigend was. Met zijn kalme beslistheid en zijn ernstige bedachtzaamheid was hij in staat steun te verwerven voor politiek uiterst geladen voorstellen. Aan zulke figuren is in deze tijden een sterke behoefte, zoals een deel van het CDA-bestuur aanvoelde toen het na de verloren raadsverkiezingen van 2006 Balkenende als lijstaanvoerder wilde vervangen door minister van landbouw Cees Veerman, een onafhankelijke geest, wars van het verstikkende monisme dat nog altijd de toon aangeeft.
De vijfde reden voor een extraparlementair kabinet is dan ook dat het de partijen de ruimte geeft eens diep over het functioneren van onze democratie na te denken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.