*

 

Hans van Mierlo overleden

11/03/10, 21:53

Oud-D66-leider Hans van Mierlo is donderdag op 78-jarige leeftijd overleden.

Dat heeft D66-fractievoorzitter Alexander Pechtold donderdag bevestigd.

Van Mierlo stond in 1966 aan de wieg van de partij. Hij was voorzitter van het comité dat D66 oprichtte. De partij kwam in in 1967 met zeven zetels in de Tweede Kamer. Van Mierlo was getrouwd met schrijfster Connie Palmen.

Pechtold noemde Van Mierlo in een eerste reactie „een democraat in hart en nieren”. „Hij heeft de afgelopen decennia velen geïnspireerd. Hij was meer dan een politicus alleen. Hij was ook een verpersoonlijking van een tijdsbeeld.” Volgens Pechtold was Van Mierlo al een tijdje ziek en werd hij een paar weken geleden opgenomen in het ziekenhuis.

Pechtold zegt blij te zijn dat Van Mierlo de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen nog heeft mee kunnen maken. „Hij genoot er zichtbaar van dat onze partij de weg omhoog weer heeft gevonden. Hij heeft tot een paar weken geleden steeds nog adviezen gegeven. We zullen hem missen.”

Van Mierlo: Boegbeeld en bohemien

(archiefartikel van 16 april 1994)

Door Henny de Lange

De persoon van de politicus wordt bij verkiezingen steeds belangrijker. Het uiterlijk, de intenties, de geloofwaardigheid, de presentatie en het persoonlijk leven van de man of vrouw op wie gestemd kan worden, spelen een steeds grotere rol. De lijsttrekkers van een aantal partijen vertellen in Trouw over hun persoonlijke positie in de politiek.

Bijna al z'n vrienden zijn met de VUT en vullen hun dagen met alleen maar leuke bezigheden. En hij? “Ik droom ervan. Ik ben een jongen van de stad die droomt van het platteland.”

Terwijl velen van zijn leeftijdgenoten al uit het arbeidsproces zijn gestapt, staat Hans van Mierlo op 62-jarige leeftijd voor misschien wel de grootste krachttoer van zijn leven. Natuurlijk is hij ouder geworden, zegt hij wat korzelig. “Dat merk ik heel goed. Maar het gaat er toch vooral om hoe het hier zit? ” Zijn beide handen gaan naar z'n hoofd.

Eigenlijk is het een belachelijke instelling, zegt hij, dat ouderen nauwelijks meer meetellen in onze samenleving. Die opvatting huldigt hij niet omdat hij zelf inmiddels ook zestig-plus is. “Ik ben altijd al voorstander geweest van flexibele pensionering. Mijn partij heeft zich ook steeds tegen de VUT verzet. Het is een dwangidee dat zestig-plussers snel in betekenis afnemen voor de samenleving.”

Eerste verkiezingsspot D66

]]>

Nee, dat 'rotte sfeertje van: als het maar jong is, is het wel goed' heeft hij altijd al belachelijk gevonden. “Toen ik zelf nog jong was verbaasde ik me er al over dat de samenleving zichzelf berooft van ontzettend veel talent en ervaring door oude mensen in feite af te schrijven.”

In 1965 las hij een boek van de psychiater Rumke over de vier levenstijdperken van de man. “Ik werkte toen als redacteur bij het Algemeen Handelsblad. In de baas z'n tijd zat ik dat boek te lezen en ik werd gegrepen door wat Rumke schreef over het vierde levenstijdperk, de senectus, de ouderdom. Hij beschreef dat als een badplaats in het naseizoen, een periode die z'n eigen waarden heeft. Niet een aanhangsel aan je leven waar je nog even doorheen moet voordat het afgelopen is. Wat me intrigeerde was dat Rumke dat boek had geschreven toen hij 35 was. Ik bedacht me dat hij inmiddels over de 70 moest zijn. Ik heb hem gebeld en gevraagd of ik eens mocht komen praten. Ik heb twee fantastische gesprekken met hem gevoerd, waarin hij bevestigde dat hij de ouderdom precies zo beleefde als hij had beschreven. Natuurlijk komt de ouderdom met gebreken, maar er zijn tegenwoordig zoveel meer mogelijkheden om van deze levensfase in sociale zin wat te maken. De oneindige mogelijkheid om te reizen. Maar ook de televisie en het onmetelijke heelal van de PC (personal computer, red.) brengen de individuele mens rechtstreeks in verbinding met de wereld van de kunst, de wetenschap, ongeacht zijn fysieke gesteldheid.”

Zijn secretaresse brengt koffie en rozijnenkoek. “Koek uit de gulle doos”, zegt Van Mierlo. “Aan die koek zit een verhaal vast.” Tijdens de verkiezingscampagne in het noorden van het land kreeg hij van de eigenaar van een supermarktketen een doos met levensmiddelen cadeau met daarbij het verzoek om duizend van die 'gulle' dozen in Joegoslavie te bezorgen. “Hij had, zonder dat hij dat wist, aan mij precies de goeie, want mijn ex-echtgenote is vorig jaar begonnen met het inzamelen van medicijnen en voedsel voor een vluchtelingenkamp in Servie. Om de anderhalve maand gaat ze er met een volgeladen vrachtwagen naar toe. Zo'n doos is voor die mensen een godsgeschenk, want ze eten daar bijna niks anders dan bonensoep.”

Hoewel hij al bijna dertig jaar het boegbeeld is van D66, heeft Hans van Mierlo allerminst last van vermoeidheidsverschijnselen. Wel deja-vu gevoelens. “Elk jaar de troonrede en de algemene beschouwingen. In die repetitie ligt een zekere verveling op de loer, maar die wordt weer weggespoeld door de avontuurlijke kanten van dit vak. Politiek gaat over alles en daardoor word je toch telkens weer voor verrassingen gesteld.”

Natuurlijk kan hij niet eindeloos blijven, dat wil hij ook niet. Ironisch: “Eens zal ik toch moeten vertrekken. Over dat moment denk ik wel degelijk na. Over vier jaar misschien”, oppert hij. Dan is hij 66, 'een mooie symbolische leeftijd'. Maar dat hij te ambitieus of te ijdel zou zijn om het roer over te geven, zeker nu het zo goed gaat met de partij, slaat nergens op. Van Mierlo: “Ik heb nooit een echte carrierelijn uitgestippeld.” Zijn secretaresse schiet in de lach: “Hans, alleen het woord carrierelijn al. Dat past toch helemaal niet bij jou.”

Van Mierlo: “Nee, ik plan de dingen niet. Ik ben altijd overal zomaar in- en weer uitgerold. Wel ben ik gaandeweg tot de overtuiging gekomen dat je niet altijd nee moet zeggen tegen dingen die op je levenspad komen. Ook al zijn het dingen waarvan je in eerste instantie denkt: dat wil ik niet, dat vind ik eng, daar zie ik tegen op, want ik zou weleens kunnen falen.”

Videoverzicht van zijn loopbaan


]]>

Toen hem in 1981 werd gevraagd of hij minister van defensie wilde worden, was zijn eerste reactie ook: nee, dat kan en dat wil ik niet. Stel, dat ik er niks van terecht breng. “Alles in de politiek wordt uitvergroot en breed uitgemeten, zelfs de minste uitglijer. Dat maakt dit vak extra riskant, maar ook avontuurlijk.” Dat hij toch ja zei, had ook niets met machtshonger te maken. Ook een woord dat niet in zijn woordenboek voorkomt, benadrukt hij. “Waarom ik het dan wel deed? Ik vind dat je niet altijd kunt weglopen. Dat zul jij ook wel merken als je ouder wordt. Je krijgt meer spijt van iets dat je niet gedaan hebt in het leven dan van de fouten die je maakt. Natuurlijk gaan er veel dingen verkeerd, maar je hebt ze tenminste wel gedaan, je bent er niet voor weggelopen.”

Het avontuur heeft hem altijd gelokt. Diep in z'n hart is hij een bohemien. Eigenlijk wilde hij acteur worden, maar toen dat niet lukte ging hij rechten studeren. Maar al snel was hij daarop uitgekeken. Hij zwierf een jaar rond in Frankrijk waar hij allerlei baantjes had om aan de kost te komen. Tot hij er opeens genoeg van had en alsnog z'n studie afmaakte. Daarna had hij 'de leukste tijd' van z'n leven als redacteur bij het Algemeen Handelsblad. Inmiddels was hij getrouwd en vader van een zoon.

Zijn politieke levensverhaal begint in 1966, als hij besluit voorzitter te worden van D66, 'omdat er geen argumenten waren om het niet te doen'. In dat jaar krijgt hij een dochter, twee jaar later wordt nog een meisje geboren. Hij wijst naar het portret van zijn drie kinderen boven de schoorsteenmantel van zijn Amsterdamse grachtenpand. “Hebben de kinderen voor mij laten maken. Vind je het niet prachtig? Die opstelling hebben ze speciaal bedacht om mij te plezieren.” Grinnekend: “Olivier zit erbij als de groothertog van Luxemburg met z'n oudste zus en verloofde aan zijn zijde.”

Zijn kinderen zijn 'geengageerd' opgevoed. Wel wat anders dan zijn eigen opvoeding in een groot katholiek Brabants gezin. Zijn vader had een steenfabriek en was tevens bankier. “Mijn jeugdjaren zijn doordrenkt van het katholicisme, dat in die vooroorlogse jaren van een enorme truttigheid was. Tijdens m'n studie in Nijmegen ben ik van het geloof afgevallen. Dat was een enorme schok voor mijn ouders. Ik zou in de hel branden. Ik ben altijd het zwarte schaap van de familie gebleven wat het geloof betreft, maar de band met m'n zes zusjes en broer heeft er nooit onder geleden. Die is heel sterk.”

Niet alleen het katholieke milieu en zijn opleiding bij de jezuieten hebben hem gevormd. De oorlog is minstens zo bepalend geweest voor de manier waarop hij in het leven staat en politiek bedrijft. “De indringendste gebeurtenis die je persoonlijk kunt meemaken is dat je je kind moet begraven. Voor een gemeenschap is een oorlog het allergrootste drama.”

Hij was acht jaar toen de oorlog begon. “Te groot voor servet, te klein voor tafellaken. Op die leeftijd zie en hoor je alles en begrijp je veel meer dan je ouders denken, maar je kunt er niets mee of tegen doen. Je hele leven loop je vervolgens rond met de vraag wat je gedaan zou hebben als je een paar jaar ouder was geweest. Ik denk dat ik de goede kant zou hebben gekozen, omdat mijn ouders dat ook hebben gedaan, maar ik weet het niet. Voortdurend vraag ik me af wie ik geweest zou zijn. Of ik mijn vrienden verraden zou hebben als ik gemarteld was. Waarom is dat nu zo belangrijk voor je, wordt me wel eens gevraagd. Omdat ik het meegemaakt heb. Dan laat het je nooit meer los.”

Daarom ook kon hij later de kernwapens aanvaarden als onmisbaar instrument om een nieuwe oorlog te voorkomen. Het is, zegt hij, de allerbelangrijkste opdracht van ieder individu, en zeker van elke politicus, dat er nooit meer een oorlog komt.

Met passie praat hij vervolgens over een andere kwestie, die volgens hem ook op het bordje van elke politicus moet liggen: de samenhang in de samenleving. “De hamvraag waar wij het komende decennium voor staan is hoe we de individuele mens betrokken houden bij de publieke zaak.” Hij raakt er niet over uitgepraat. Fraaie persklare volzinnen rollen moeiteloos uit zijn mond. Niet voor niets kreeg hij vorig jaar de prijs voor de welsprekendheid.

Hij kan het altijd zo mooi zeggen. Oefent hij daarop? Verbaasde blik: “Nee, natuurlijk niet.” Net zo min als hij zich er ooit over bekommert hoe hij eruit ziet. “Ik doe echt al meer dan 25 jaar niets anders dan mezelf zijn. Vraag het maar aan mijn omgeving. Ik verzin geen trucs en ik haal geen rare strapatsen uit. Ook laat ik me niet in met mannetjesmakers. Ik zit nog precies voor de camera's als 28 jaar geleden en voor elk publiek optreden ben ik nog steeds als de dood. Natuurlijk zegt iemand wel eens tegen me: Hans, je das zit scheef en er moet nodig een kam door je haar. Maar dat zei m'n moeder vroeger ook al tegen me.”

Het persoonlijke element wordt steeds belangrijker in de politiek, maar het irriteert hem wel eens, die cultus rondom zijn persoon. “Kennelijk wil men graag het succes van D66 verklaren uit andere redenen dan de kwaliteit van ons produkt. Het zou alleen maar de verpakking zijn. Daarmee denken ze het gevaar te bezweren dat wij kiezers afsnoepen. Maar ik ben niet het geheime wapen van D66. Onze kracht is dat wij meer dan welke andere partij ook, weerspiegelen wat er momenteel leeft in de maatschappij.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />