Waren die katholieke jongensinternaten nu zo vreselijk? Zulke burchten van seksueel misbruik?
Ik maakte van zo’n internaat, in Apeldoorn, op het Klein Seminarie, de nadagen mee, behorend tot de uitstervende groep jongens die zich geroepen voelden tot het priesterschap. De Roeping zelf – zo kwam de pastoor vertellen – was al van God gegeven. Ik denk dat daarmee meteen de verwarring in het twaalf-, dertienjarige jongenshoofd was gezaaid: enerzijds is men uitverkoren en op ijdelheid strelende wijze anders dan de rest, anderzijds dient die uitverkorenheid slechts de dienstbaarheid aan een hoger ideaal, en onderdanigheid aan de moederkerk. Hoe breng je verhevenheid en nederigheid samen?
De eerste indruk van het internaat was verpletterend: het gebouw zelf monumentaal, met eindeloze, hoge gangen, steriel en koud betegeld, en daaromheen een groot park, met oude bomen, lanen, velden – je gaf je ouderlijk huis op en kreeg er een machtig instituut voor terug. Nederigheid werd je bijgebracht in je slaapcel, die ze een chambrette noemden – een bed, een kast en een wastafel, meer was het niet. Er was zelfs geen deur om de cel mee af te sluiten, een gordijntje moest wat van je privacy restte beschermen.
Ik heb, naar aanleiding van alle berichten over seksueel misbruik en de kleine vloed van meldingen ervan, deze week getracht via dat perspectief terug te kijken op mijn eigen ervaringen, geholpen door dagboeken die ik destijds, veertig jaar geleden, bijhield.
Een paar honderd puberende jongens bijeen op grote slaapzalen, achter gordijnen – natuurlijk kwam het daar tot seksueel verkeer, meestal vrijwillig, maar niet altijd – een spel ging wel eens verder dan bedoeld was, dan viel wat als een vriendschap was begonnen uiteen in een dader en een slachtoffer, met veel spijt en gêne en pijn.
Daar zat je in al je bezoedelde verhevenheid en roeping. Ik denk niet dat de priesters, de Heren zoals we ze noemden, daarvoor altijd de juiste begeleiding gaven. Ik noteerde in mijn dagboek dat ze alles wisten, maar ook over alles zwegen.
Er waren Heren die op hun kamer met de leerlingen ’stoeiden’, en ik hoop maar dat het daarbij bleef, dat er tussen die 350 meldingen geen kwamen uit Apeldoorn. Ik persoonlijk heb ze vertrouwd, de Heren van toen, al verloor ik mijn roeping.
Ik hoop dat anderen niet méér verloren dan dat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.