*

 

Typisch oehoe

Door: redactie − 12/03/10, 00:00

Op een koude, zonnige zaterdag ga ik naar Gejo Wassink in de Achterhoek. Gejo is uilenman. Acht jaar geleden was hij roofvogelman, geen uilenman. Iemand van de Vogelwerkroep belde hem over ransuilen zo groot, ze leken wel oehoes. Onmogelijk, dacht Gejo, die zitten alleen in Zuid-Limburg. Een week later belde hij weer. Gejo moest echt komen! Hij wees een knots van een buizerdnest aan. Oehoes kraken nesten van anderen. Er zaten reuzenuilen op met oortjes. Zonder twijfel oehoes. Nu is Gejo de man van deze uilen. Namens de Oehoewerkgroep bewaakt hij ze, onderzoekt ze, ringt ze.

Het bosje van de oehoes zou omgezaagd worden. Gejo zette snel een nest in elkaar van een mat van betonijzer, staaldraad en takken. Dat klemde hij verderop in de vork van een stoere eik, en daarin hebben de oehoes sindsdien gebroed. Op één keer na, toen het mannetje verdwenen en waarschijnlijk dood was. Een jaar later had de oehoevrouw een nieuwe vent. Zo’n oehoeman komt waarschijnlijk uit Münsterland, over de grens, waar Gejo met de Nederlands-Duitse oehoewerkgroep achttien broedparen telde.

Zou het oehoenest dit jaar weer bewoond zijn? We vinden houtduifresten. „Typisch oehoe”, vertelt Gejo. „Niet alle veren liggen hier. Een oehoe slikt veren in. Een havik niet, die laat alle veren liggen.” Een witte flats op een boomstam getuigt van des oehoes spijsvertering. Braakballen vinden we niet. We kijken in verschillende richtingen, maar zien geen geoorde uilenkop over de rand van het nest gluren. Later mailt Gejo dat hij ’s avonds het vrouwtje een hele tijd hoorde roepen. „Een teken dat het mannetje er niet meer is.” Hopelijk komt er een nieuwe uit Duitsland.

http://oehoe.web-log.nl

mailIcon print |