Alles was anders, anders dan op andere scholen, op het Klein Seminarie in Apeldoorn, het internaat waarvan ik als leerling de laatste fase meemaakte, eind jaren zestig, begin jaren zeventig. De klassen hadden er andere namen, ze heten sexta, quinta, grammatica, syntaxis, poësis en retorica. De hoogste klassen, de retorica en de poësis, recreëerden in hun eigen soos, waar bier geschonken mocht worden, voor de jongeren was er de middencour en de kleine cour. De leiding was in handen van priesters die nog witte boorden droegen en die we ’de Heren’ noemden. Voor de dagelijkse begeleiding waren ze georganiseerd in de zogeheten ’prefectuur’ – ze gaven les, liepen surveillance ronden en hielden vanaf verhogingen toezicht op de refter en de studiezaal. Ze bewoonden grote kamers in het gebouw, waar ze leerlingen konden ontvangen voor gesprekken, of voor een bijzondere gelegenheid: ik zag op de kamer van de priester die natuurkunde gaf de beelden van de landing op de maan.
In zijn hoogtijdagen, in de jaren vijftig, had het klein seminarie, bedoeld als vooropleiding voor het groot seminarie, plaats geboden aan vierhonderd jongens vanaf twaalf jaar, die in chambrettes sliepen op kolossale slaapzalen.
Uit omgevingen als deze zijn de laatste weken nu al 350 meldingen binnengekomen van seksueel misbruik. Omgevingen waarbinnen de ontluikende seksualiteit ter voorbereiding op het celibaat juist moest worden ingesnoerd. En dit is wat ik er destijds zelf over te horen kreeg van een lid van de prefectuur, toen ik met hem over seksuele gevoelens sprak en over relaties tussen jongens. Ik citeer uit het dagboek, dat ik toen als zestienjarige bijhield.
„In een mannengemeenschap”, zei de priester, „ligt het voor de hand dat men wat meer met elkaar experimenteert. In de kleine cour is dit heel onschuldigs en veel voorkomend. Maar wanneer men het abnormale van deze toestand gaat beseffen scheidt men ermee uit. Wanneer dit niet het geval is is het nodig in te grijpen.” Mocht die ingreep niet helpen, dan zou hij een psychiater inschakelen en de ouders waarschuwen.
En dan lees ik in het dagboek de aansluitende passage: ’Het vreemde vond ik dat hij ook wilde weten hoe het precies in zijn werk ging. „Gaat het gepaard met wrijving en verstijving van de geslachtsdelen en met uitspattingen?”’
Einde citaat. Uitspattingen? Mij trof nu, anno 2010, dat ik destijds al die navraag van de priester ’vreemd’ vond. En ik schrok ook van een waarneming van een oud-leerling die ik op internet vond en die schreef: ’Je had heel intense vriendschappen, maar ook vriendschappen die niet mochten. Het aantal zelfmoorden van jongens die deze periode niet ongeschonden doorkwamen ligt hoger dan elders in de samenleving, vrees ik.’
Daarover piekerde ik. Zou men ook daarnaar onderzoek doen? Zou het drama zo groot kunnen zijn?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.