De discussie over de begrazing van de Oostvaardersplassen was voor herten-deskundige Robert van Baarle al in 2000 reden om ontslag te nemen bij Staatsbosbeheer. „Het stuitte me tegen de borst. Ik werd er onpasselijk van.”
Hij had zich eigenlijk van de discussie afgesloten. Duizend of tweeduizend herten in de Oostvaardersplassen, wel of geen konikpaarden en heckrunderen, seizoensbegrazing of het hele jaar door? Een ’natuurlijke’ dood of afschieten? Tandenknarsend is Robert A. van Baarle toehoorder van een discussie die hij tien jaar geleden al poogde te voeren. Maar verloor.
Begin jaren negentig werd Van Baarle door Rijkswaterstaat aangetrokken om het hert in de Oostvaardersplassen te introduceren. „Ik had veel ervaring met herten in Ierland opgedaan, en ze vroegen mijn hulp bij het uitzetten van herten in dit gebied. Dat heb ik vol overtuiging gedaan. Er was toen al seizoensbegrazing met heckrunderen, die in de winter uit het gebied werden gehaald. Maar zo’n vijftig herten erbij, het hele jaar door, dat was goed mogelijk.”
We zijn het bijna vergeten, zegt Van Baarle, die tegenwoordig zelfstandig adviseur is op het gebied van wildbeheer, maar de Oostvaardersplassen waren toen, maar zijn ook nu nog, een vogelreservaat. „Het is een zogeheten stepping stone voor trekvogels op hun heen- en terugweg naar het zuiden. De runderen en herten in dat gebied waren slechts instrumenten in het beheer. Bepaalde delen van het gebied zijn aangewezen als landingsplaatsen voor ganzen, en de runderen moesten de langere, hardere grassen kort houden, zodat de ganzen bij het jonge gras konden. That’s it! Een kleine populatie fungeerde als grasmaaier, waardoor het gebied voor vogels extra aantrekkelijk zou zijn.”
Maar Van Baarle zag in de jaren negentig hoe natuurbeheerders (het gebied was inmiddels aan Staatsbosbeheer overgedragen) volgens hem doorschoten in hun gedachten over de ontwikkeling van het gebied. De populatie kon in hun ogen groeien, en de kuddes werden een doel op zich. „De ’werktuigen’ werden plotseling als ’wilde beesten’ gezien.” Daarnaast vatte het idee post dat beheer ’natuurlijker’ moest. Stervende dieren werden volgens Van Baarle aan hun lot overgelaten. „Ik herinner me een discussie over een rund dat half in het water was bevallen. Ze wilden dat dier niet uit zijn lijden verlossen. Ik ben zelf mijn jachtgeweer gaan halen. Zo ga je niet met dieren om. Je laat ze niet creperen.”
Het zou een escalatie worden van een conflict dat al jaren sluimerde, en waarin Van Baarle uiteindelijk aan het kortste eind trok. „Ik heb in het jaar 2000 mijn ontslag aangeboden, omdat het beheer van de Oostvaardersplassen me te zeer tegen de borst stuitte. Ik werd er letterlijk fysiek onpasselijk van. Ik heb het boek dichtgeslagen, ik wilde er niets meer mee te maken heben.”
Tien jaar later leven er volgens de laatste officiële tellingen in de Oostvaardersplassen 2.000 edelherten, 1.100 konikpaarden en zo’n 570 heckrunderen. Ruim 75 procent overleeft de winter. Een kwart dus niet, dat sterft van honger en uitputting. Volgens de beheerders van nu is dat een natuurlijk proces, waaraan Nederland niet meer gewend is. Toch besloot demissionair minister Verburg vorige week plotseling onder druk van de Tweede Kamer tot bijvoeren.
Tien jaar later mengt plotseling ook Van Baarle zich weer in de discussie. Voor één keer. „Ik heb lang gezwegen omdat ik me nog loyaal voel aan mijn vorige werkgever. Ik ben ook helemaal niet rancuneus hoor. Ik kan met alle biologen die in deze discussie een rol spelen een goed glas drinken. Maar inhoudelijk ben ik het volstrekt met de beheerders van nu oneens. En ik vind dat ik dat één keer hardop moet zeggen. Voor al die herten en runderen die in het gebied dreigen weg te kwijnen.”
Volgens Van Baarle is de kern van de zaak dat de Oostvaardersplassen geen volledige biotoop vormen. Het gebied is te klein, en te eenzijdig voor de huidige populatie. „Je ziet dat het gebied daar onder lijdt, en de grazers die erin verkeren. De grote hoeveelheden grazers houden de landingszones voor de ganzen niet bij, ze vreten die helemaal kaal! Ganzen verliezen in juni hun vleugelpennen, en moeten dan een tijdje op dezelfde plek bivakkeren. Ze kunnen dus niet verder trekken. En omdat dan toevallig het grasland is kaalgevreten, scharrelen ze in de Oostvaardersplassen het jonge riet in, bij uitstek een plek die zeer waardevol is voor vogelsoorten die op de Rode Lijst staan. Je ziet het heel duidelijk in het gebied: de geleidelijke overgang van riet naar water is verdwenen, en er is een harde lijn tussen oever en water. Dat is dus dodelijk voor een vogelreservaat. De aantallen moerasvogels nemen ook af.”
Maar, zegt Van Baarle, hij staat ook niet alleen in zijn mening dat het gebied veel te klein en eenzijdig is voor zo’n grote populatie grazers. Hij neemt de Leidraad Grote Grazers er eens bij, die toenmalig staatssecretaris Geke Faber van landbouw in januari 2000 naar de Kamer stuurde. En hij leest voor: „Vanuit welzijnsoptiek is preventieve aantalsregulatie in alle terreinen zonder meer noodzakelijk indien er een gerede kans bestaat op het optreden van een grote sterfte als gevolg van een overschrijding van de draagkracht, bijvoorbeeld het structureel gebrek aan voldoende voedsel of geschikt leefgebied.”
De staatssecretaris slaat hier de spijker op z’n kop, zegt Van Baarle. „Deze maanden hebben grazers even wat te eten. Naast de bijvoederpakketten die nu in de vorm van hooi worden uitgedeeld, staan de velden in de lente vol kruiden en jonge twijgen. Maar die velden worden in een maand afgegrazen zodat de dieren niet kunnen opvetten voor de winter. Ze gaan als het ware met een achterstand de koude en schaarse maanden in.”
En daarop sluit een passage aan van Theo Vullink uit de studie ’Hungry Herds’. Hij schrijft dat jaarrond begrazing in wetlands in ingepolderde gebieden als de Oostvaardersplassen niet geschikt is. Om de vegetatie kort te houden, moeten er juist in het voorjaar en zomer tijdelijk veel grazers zijn omdat er dan korte tijd veel voedselaanbod is. Daarna moet de vegetatie weer met rust worden gelaten. Blijft het vee staan, dan blijven de runderen grazen waardoor de vegetatie te zeer afneemt, en de runderen uiteindelijk gaan hongeren. Voor flora én fauna is dit volgens hem slecht beleid.
Intussen gaat de discussie volgens de herten-expert Van Baarle vooral over zogenaamde natuurlijke processen, waarin de mensen steeds minder een rol hebben. „Er wordt stelselmatig naar de oertijd verwezen, maar naar welke oertijd willen we eigenlijk terug? Naar die van de Romeinen, naar de IJstijd? We hebben het in de discussie over de Oostvaardersplassen echt over een beperkt gebiedje, met hekken er omheen. En laat ik de liefhebbers van oernatuur teleurstellen: paleontologen hebben in Nederland nog nooit runderbotten uit de oertijd kunnen opgraven. Botten van herten wel!”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.