*

 

De wind krijgt hulp

Hans Marijnissen − 29/03/10, 00:00

De duinen op Schouwen moeten weer in beweging komen. Daarom gaat de mens de wind een handje helpen. Een kwestie van heel voorzichtig krabben.

  • Bioloog Anton van Haperen op een zandduin in Schouwen-Duiveland. 'Paashaver! En is dit geen veldkers'' (FOTO'S JÿRGEN CARIS, TROUW)

De bioloog gaat op zijn knieën en zet zijn bril-voor-veraf op zijn voorhoofd. „Kijk, muurpeper! En hier het kandelaartje. Paashaver! En is dit geen veldkers?” Het zijn allemaal duinplanten waar de gemiddelde wandelaar zo aan voorbij loopt, maar volgens Anton van Haperen is juist deze vegetatie kenmerkend voor de zogenoemde ’grijze duinen’. Het witte duinzand is hier nog niet al te lang bedekt met een dun laagje vegetatie. En misschien zijn de plantjes volgend jaar wel overstuifd, en vormen zich honderd meter verderop wel nieuwe grijze duinen.

Dit is wat je noemt tijdelijke natuur, hoewel Van Haperen liever spreekt van dynamische natuur. Duinen horen kaal te zijn, zegt hij, en te bewegen. Heel langzaam, eeuw voor eeuw, moeten ze van de zeereep landinwaarts trekken, en elk stadium biedt aan verschillende locaties verschillende mogelijkheden voor flora en fauna. Het probleem is echter dat dynamische duinen zeer zeldzaam zijn.

„De meeste duinen zijn vastgelegd”, zegt Van Haperen. „Bewust, door aanplanting. Zodat ze als zeewering dienen voor het achterland. Of om te voorkomen dat de boeren last hebben van stuifzand op de akkers. Maar ook door een natuurlijk proces. Door de aanplanting van bossen groeit het duin ernaast ook dicht, omdat de wind er geen vat meer op heeft. En dan blijven er uiteindelijk grasheuvels over, waarop struiken gaan groeien. Uiteindelijk ontstaat ook daar bos.” Terwijl kale duinen zoveel rijker zijn.

Van Haperen is gepromoveerd op een studie waarin hij voor het eerst de verschillende duinlandschappen op de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden heeft vergeleken. Dat zo veel variatie voorkomt in één betrekkelijk klein gebied is bijzonder. De Nederlandse duinen maken namelijk deel uit van een vrijwel aaneengesloten duinkust die loopt van Cap Blanc Nez in Noord-Frankrijk tot aan Kaap Skagen, in het noorden van Denemarken. Deze kust wordt alleen ’doorknipt’ door een aantal riviermondingen en zeegaten, en kortere trajecten waar mensen dijken hebben aangelegd. Grofweg zijn de noordelijke Nederlandse duinen kalkarm en zijn de zuidelijke duinen juist kalkrijk, wat een andere plantengroei oplevert.

De kustduinen van Zuidwest-Nederland nemen een geheel eigen positie in. Juist hier zijn de zeegaten en riviermondingen te vinden. Juist hier, en nergens anders, bestaan uitgestrekte binnenduin-graslanden. En juist hier is er een enorme afwisseling tussen kalkarme en kalkrijke gronden, waardoor er een enorme diversiteit aan plantengroei bestaat.

Daar moet je wat mee, concludeert Van Haperen, maar tijdens zijn onderzoek werd hij somber over de wijze waarop er met dit ecologisch sieraad wordt omgegaan. „Ook kenmerkend voor deze streek is namelijk dat het duingebied zo’n tweehonderd eigenaren kent. Het beheer is versnipperd, en het komt erop neer dat er voornamelijk níet wordt beheerd. Verder hebben de beheerders geen inzicht in het ecologische functioneren van de duinen, en bestaat er geen gemeenschappelijke strategie. Vandaar het mozaïeklandschap dat op Schouwen is ontstaan. Het lijkt hier het coulissenlandschap uit de Achterhoek wel.”

Daar probeert Van Haperen, die in dienst is van Staatsbosbeheer, iets aan te doen. Hij pleit voor een terugkeer naar de ’blanke top der duinen’. Duinen hebben een recreatieve functie, somt hij op, en een beschermde functie als waterkering. „Maar tegenwoordig is het behoud van natuurwaarden en biodiversiteit ook een zelfstandige functie van het duinlandschap. We moeten investeren om bijzondere soorten flora en fauna te beschermen. Om die kwetsbare soorten te behouden, moeten we de grotendeels dichtgegroeide duinen weer laten stuiven. De ontwikkeling van een grootschalig duingebied kan alleen door samenwerking tussen de eigenaren. Het gestuif houdt niet op bij het hek van de buren.” Daarom willen de twee grootgrondbezitters op Schouwen – Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten – een verbintenis aangaan.

„De eerste vorm van samenwerking”, zegt Van Haperen als hij het duingebied van Staatsbosbeheer binnenloopt. En hij wijst op de grazende pony’s. Die zijn van Natuurmonumenten, maar kunnen ook hier het gras kort houden omdat het prikkeldraad dat tot voor kort dwars door de duinen voerde, afgelopen jaar voor een groot deel is weggehaald. „Maar de samenwerking gaat verder. Het duinzand moet in beweging komen, en van Staatsbosbeheer naar Natuurmonumenten stuiven. En daar hebben we afspraken over gemaakt.”

Dieper in het gebied wijst Van Haperen op een enorme deels begroeide duinrug. „Zo’n 900 jaar na Christus was dit gebied een vlakke soort Boschplaat zoals die op Terschelling aanwezig is. Vanaf het jaar 1000 is de zeereep zich in eeuwen langzaam maar zeker landinwaarts gaan verplaatsen, totdat hij begin vorige eeuw werd ’vastgelegd’ door aanplanting. Dit duin willen we weer in beweging krijgen, zodat hij als het ware plaatsmaakt voor een nieuw duin, dat uit het westen komt aanzetten. Dat stuiven vindt plaats in grote volumes. Zulke processen hebben de ruimte nodig, en die is hier.”

De ingrepen hoeven volgens Van Haperen niet grootschalig te zijn. „Ik denk bijvoorbeeld dat de natuur weer vrij spel kan krijgen, als je op de juiste plaatsen windgaten graaft. Kijk, het witte duinzand zit hier niet meer dan tien centimeter diep. Gewoon een kwestie van plaggen en afvoeren.”

Wat verderop ligt een enorm windgat van een hele hectare, dat inmiddels is begroeid. „Ik kan me ook voorstellen dat je als experiment zo’n geheel gebied afplagt, en onderzoekt wat er gebeurt. Misschien moet je ook het bos vóór het windgat kappen, om zo de wind als het ware een landingsbaan te geven. De grootte en de locaties van de ingrepen worden momenteel onderzocht.” En binnenkort komt een heuse geomorfoloog advies geven die de vormen van het landschap bestudeert.

De buren in het oosten hoeven volgens Van Haperen niet bang te zijn dat het duinzand ooit hun tuintjes bereikt. Het laatste natuuromvormingsproject van Staatsbosbeheer gaat namelijk eeuwen duren.

mailIcon print |