*

 

’Hé, dat meisje weet echt waar ze het over heeft’

Catrien Spijkerman − 20/02/10, 00:00

Slechts vijf procent van de werknemers in de bouw is vrouw. Om de sector aantrekkelijker te maken moet er in de bedrijfscultuur nog veel veranderen. „Als je een schuchter meisje bent, geef ik je weinig kans.”

  • Laurette Wiersma is de enige vrouwelijke mixerpompmachinist van Nederland. 'Ik vind het geweldig om echt iets te maken.'
    Laurette Wiersma is de enige vrouwelijke mixerpompmachinist van Nederland. 'Ik vind het geweldig om echt iets te maken.'
  • Laurette Wiersma is de enige vrouwelijke mixerpompmachinist van Nederland. 'Ik vind het geweldig om echt iets te maken.'  (FOTO WERRY CRONE. TROUW )
    Laurette Wiersma is de enige vrouwelijke mixerpompmachinist van Nederland. 'Ik vind het geweldig om echt iets te maken.' (FOTO WERRY CRONE. TROUW )

Toen Laurette Wiersma net begon bij de Goudse Betonmortel Centrale, was het iedere dag feest. „Als ik met mijn betonmixer het terrein van een opdrachtgever op reed, begonnen alle bouwvakkers te fluiten en te joelen. Ze legden hun werk neer en gingen met z’n allen staan kijken. Een vrouw!” Wiersma is mixerpompmachinist, ze bedient de pompinstallatie waarmee ze het beton door buizen naar de stortplaats pompt. Volgens haar werkgever is ze de enige vrouwelijke mixerpompmachinist van Nederland.

Vrouwen in de bouw zijn vaak een uitzondering, weet Helma Born. Ze is voorzitter van Bouwnetwerk, een netwerk van vrouwen met uiteenlopende functies in de bouw. Vijf jaar geleden begon het netwerk met een inventarisatie. Van de resultaten werd Born ’niet vrolijk’. Slechts vijf procent van de topfuncties wordt door een vrouw bekleed, terwijl bijvoorbeeld dertig procent van de bouwkundestudenten vrouw is. Born, zelf directeur van adviesbureau Procap: „Ik was laatst op een conferentie van een koepelorganisatie. De dagvoorzitter opende met: ’Goedemorgen heren en Helma.’” Door slechte registratie van bedrijven weet Bouwnetwerk niet hoeveel procent vrouwen op lagere functies vrouw is. Naar schatting komt dit percentage ook niet boven de vijf.

Sinds die ’droevige’ onderzoeksresultaten zet Bouwnetwerk zich in voor meer evenwicht tussen mannen en vrouwen in de sector. Dat is nodig, omdat het werk in de sector veelzijdiger is geworden, zegt Born. „Met een eenzijdig team vol techneuten red je het niet meer. Tien jaar geleden voerden projectontwikkelaars simpelweg de plannen van de gemeente uit en richtten ze zich vooral op het bouwen zelf. Nu zitten ze al veel eerder met de gemeente aan tafel, ze denken mee. Ze hebben te maken met politieke gevoeligheden en uiteenlopende belangen, daar moet je mee om kunnen gaan. Bovendien worden opdrachten steeds vaker via wedstrijden binnengehaald. Dat vraagt om communicatie- en presentatievaardigheden. Ook in uitvoerende vakken wordt dit steeds belangrijker. Ik zeg niet dat alleen vrouwen daarvoor geschikt zijn, maar het vraagt wel om een gevarieerder team.”

Om de sector aantrekkelijker te maken voor vrouwen, moet de bedrijfscultuur veranderen. „Er heerst vaak een ruige mannencultuur, veel vrouwen voelen zich daar niet op hun gemak”, zegt Born.

De cliché’s van kalenders met blote vrouwen gelden inderdaad in bijna iedere bouwkeet, weet Wiersma. „Ik vind het geen probleem, maar je moet er tegen kunnen. Ik kreeg in het begin vervelende seksistische opmerkingen naar mijn hoofd, ze noemden me bijvoorbeeld ’pompsletje’. Als een vrouw in de bouw komt werken, dan doet ze dat omdat ze mannen het hoofd op hol wil brengen, dachten ze.”

Een vrouw in de bouw moet zich in het begin drie keer harder bewijzen dan een man, zegt Annemieke Mulder. Ze is hoofd werkvoorbereider bij koninklijke aannemingsmaatschappij Van Waning. Ze controleert de bouwtekeningen, overlegt met de uitvoerders en architect, regelt de logistiek op de bouwplaats. „Tijdens vergaderingen met mensen die me nog niet kennen, word ik in eerste instantie gewoon genegeerd. Vragen worden aan mijn mannelijke collega’s gesteld. Totdat blijkt: ’Hé, dat meisje weet echt waar ze het over heeft!”

Bouwbedrijven moeten beseffen dat hun vrouwelijke werknemers een pioniersfunctie hebben, meent Bouwnetwerk. „Soms kan het helpen om hen te coachen. Er zijn bedrijven die een vrouwelijke werknemer koppelen aan een mannelijke manager, zo kunnen ze van elkaar leren. Sommige bedrijven zoals bouwonderneming BAM hebben een eigen vrouwennetwerk.”

Of het nu mannen of vrouwen zijn, steun van je collega’s is belangrijk, zegt Mulder. „Buitenstaanders moeten er soms aan wennen dat ik een vrouw ben, maar mijn collega’s luisteren naar me en waarderen me. Ik ben één van de jongens. Niet dat ik een manwijf ben, maar ze behandelen me als een gelijke. Geintjes horen daarbij. Zo kwam ik ooit op een leenfiets naar de bouwplaats, omdat mijn autootje een onderhoudsbeurt nodig had. Toen ik ’s avonds op de fiets naar de garage wilde, hing die fiets in de hijskraan. Ik kon er wel om lachen. De volgende dag heb ik alle veters van de schoenen in de keet aan elkaar geknoopt. Het ligt aan jezelf hoe je het oppakt. Als je een schuchter meisje bent, geef ik je weinig overlevingskans.”

Om een cultuurverandering te bewerkstelligen, moet volgens Bouwnetwerk minstens dertig procent van de werknemers vrouw zijn. Makkelijker gezegd dan gedaan, vindt Mulder. „Ik nodig zelf ook kandidaten uit, maar het zijn vrijwel altijd mannen. Op onze vacatures komt nu eenmaal zelden een vrouw af, eenvoudigweg omdat er heel weinig vrouwen zijn die de vereiste opleiding of werkervaring hebben. Dan kun je nog zo hard willen: het lukt gewoon niet.”

Er zijn inderdaad minder meisjes dan jongens die voor de ’harde technische’ vakken kiezen, beaamt Born. Toch moeten bedrijven zich niet alleen verschuilen achter ’ze zijn er niet’, vindt ze. „Een bedrijf moet goed beseffen wat het uitstraalt. In de vacature moeten niet alleen maar competenties genoemd worden die bij uitstek mannelijke eigenschappen zijn. Bouwconcern Dura Vermeer had bijvoorbeeld grote moeite vrouwelijke werknemers te werven. Wat bleek: in hun brochure stonden alleen maar afbeeldingen van witte jonge mannen. Dat hebben ze nu veranderd.”

Om de sector aantrekkelijker te maken voor vrouwen, zouden werkgevers bovendien wat aan de werktijden kunnen doen, met name in de uitvoerende tak, vindt Bouwnetwerk. Born hekelt het conservatisme van de sector. „Er heerst een hardnekkige overtuiging dat het werk vijf dagen per week tussen zeven en vier gedaan moet worden. Die houding is achterhaald. Jonge mensen kun je niet meer paaien met een leasebak en een laptop: ze willen hun tijd zelf kunnen indelen en willen mogelijkheden om zichzelf te ontwikkelen. Dat geldt heus niet alleen voor vrouwen, er komt een hele generatie aan die het anders wil. Als je als werkgever interessant wil blijven, moet je het werk anders organiseren.”

Het belangrijkste is echter dat vrouwen inzien hoe leuk het werk is, benadrukt Born. „Alle vrouwen die ik ken in onze sector vinden het een prachtig vak.”

Het is ook de reden dat Wiersma zich nooit heeft laten ontmoedigen. „Vier jaar lang was ik chauffeur van een betonmixer. Ieder functioneringsgeprek zei ik: ik zou de mixerpomp wel willen bedienen. En elke keer antwoordden ze: nee, dat is te zwaar. Toen hing er ineens een briefje in de kantine: er kwam een nieuwe mixerpomp, of iemand interesse had. Wat denk je? Niemand! Bij het volgende functioneringsgesprek vroegen ze of ik nog steeds wilde. Ik doe het nu zeven maanden, en ze zijn hartstikke tevreden. Ik ben de hele dag op pad, bezig echt iets te máken. Ik vind het geweldig.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />