De Afghaanse boer die papaver verbouwt, draagt evenveel schuld als een welvarende Nederlander die eten weggooit. Overlevingsdrang versus verwend gedrag.
De winter heeft zijn intrede gedaan in Afghanistan. De sneeuw ligt als een witte deken over de toppen van de bergen gespreid. De boeren genieten van de winterstop. Het is tijd voor een terugblik op het afgelopen jaar en een vooruitblik op het volgende. De boeren zijn een eervol en eerlijk volk. Hun hart ligt op hun tong en hun tong is scherp als een zwaard. Ze oordelen naar hun geweten en gezonde boerenverstand. Elk verkeerd gezaaid zaad en elke rechtvaardige daad wordt gewogen en overwogen.
De snede van hun tong ervaar ik wanneer ik als gast bij een boer deelneem aan een discussie. Gesprekken in Afghanistan starten na de maaltijd, tijdens het theedrinken. De zoetigheid van rozijnen met amandelen en droge moerbijen met walnoten combineren wij met dampende groene thee. Het gesprek begint en de ruimte vult zich met cadans van woorden. Vanachter de damp van de thee zie ik een dans van wervelende zinnen, woorden, letters, komma’s, vraagtekens, uitroeptekens en punten. Al gauw gaat het gesprek over de meest winstgevende oogst, die van papaver.
“Wanneer gij met een beschuldigende vinger naar een ander wijst, wijzen drie andere vingers naar uzelf,” is zijn antwoord wanneer de papaverboer uit het zuiden wordt beschuldigd van het verspreiden van onzedelijkheid en verderf.
Hij zet mij aan het denken. De keuze die de Afghaanse boer maakt, kan ik begrijpen. Hij doet het om de lege magen van zijn kinderen, behorend tot de 800 miljoen ondervoede mensen, te vullen. Pijnlijk genoeg gooit de Nederlander, inclusief ik, uit verwend gedrag een groot deel van zijn eten in de vuilnisbak. Terwijl de Afghaanse boer scheel ziet van de honger, hebben wij zoveel honger als de zee dorst heeft.
De boer gaat verder: “Hoe wij tot onze keuze zijn gekomen, blijkt uit de volgende situatie: Ver buiten de stad Kabul liggen twee veldjes naast elkaar. Links een lapje grond waar graan is ingezaaid en opgekomen. De sprieten zijn bleek uitgebeten. De aren liggen verdroogd en leeg op de harde grond. Op het veld rechts hebben wij in een poging tot overleven papaver gezaaid. Ook hier is de grond door de droogte opengebarsten en zijn de planten klein gebleven en deels verdord. Maar papaver heeft veel minder water nodig dan graan en, al is het niet veel, er kan geoogst worden. Dat stukje land bewerken we met zijn zessen. Iedere keer als we een pond opiumpasta hebben verzameld, verkopen we het door.”
In Nederland alleen al verdwijnt jaarlijks vier miljard euro aan voedingswaren in de vuilnisbak. Ironisch genoeg is dit tweermaal het bedrag dat de opiumproductie in Afghanistan oplevert.
We hoeven er niet de Michelinsterren van onze restaurants voor op te offeren. Enkel onze half opgegeten boterhammen zijn voldoende om de papaverboer in de rij der natte zondaars toe te voegen.
“Of hij weet dat papaver dood zaait in het Westen?” vraag ik hem. Zij antwoord is: “Hun zwarte kogels hebben mij mijn dierbaren afgenomen. Nu stuur ik hen witte kogels terug.”
Persoonlijk keur ik de Exod. 21:24 (oog om oog, tand om tand), de Deut. 32:35 (mij komt de wraak toe en de vergelding) en Qhasas (vergelding) van Sharia ten stelligste af.
Maar ik denk hardop: “Wie van ons zonder zonde is, werpe de eerste steen der verwijt.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.