Volgens Jan Blokker publiceert de journalist nog steeds meningen in plaats van feiten, Nick Davies vindt dat in het vak geen tijd meer is voor waarheidsvinding.
Zou het toeval zijn dat een kritisch boek over journalistiek in Engeland de vorm heeft van een reportage en in domineesland Nederland dat van een kleine preek, dat het ene over de werkelijkheid gaat, en het andere vooral over de wenselijkheid, dat het ene geschreven is door een verslaggever en het andere door een columnist? Misschien wel niet. ’Nederlandse journalisten houden niet van journalistiek’ heet het ene boek, geschreven door Jan Blokker, ’Gebakken lucht’ is de titel van het andere, van de hand van Guardian-journalist Nick Davies.
Om te beginnen het boek van Blokker. Het heeft de vertrouwde brommerige toon; het bevat een mooie autobiografische terugblik waaruit blijkt dat de harde journalistiek en de auteur elkaar nooit hebben weten te vinden; en het schetst prettig grofmazig de ontwikkelingsgang van de vaderlandse journalistiek die volgens Blokker nauwelijks een ontwikkeling heeft doorgemaakt. Het zogenoemde afscheid van domineesland mag inmiddels plaats hebben gehad, in de journalistiek verdringt een ’opvattingencultuur’ nog altijd een ’feitencultuur’. Oorzaak van dit alles: Abraham Kuyper, doctor Herman Schaepman en Pieter Jelles Troelstra, respectievelijk de negentiende-eeuwse vaders van de gereformeerde, de katholieke en de socialistische pers. Niet de feiten telden, maar wat Calvijn, de paus en Marx en Kautsky zouden hebben gevonden van bijvoorbeeld het aardappeltekort in 1917 was doorslaggevend voor de vaderlandse kranten.
De Nederlandse journalist was oneerbiedig gezegd een meningenboer en zijn rompstand is niet wezenlijk veranderd sinds 1900, oordeelt de auteur, die niet moe wordt te benadrukken dat er talloze mogelijkheden zijn geweest om ’het’ anders te doen. In de eerste jaren na de oorlog -– toen Het Parool even het goede voorbeeld gaf -– en in de jaren zestig –- toen Vrij Nederland hetzelfde deed -–, maar men liet het allemaal liggen, dankzij de erfenis van de verzuilde pers-aartsvaders en uit gemakzucht. De Nederlandse pershistorie is voor Blokker de geschiedenis van de gemiste kansen, en het is volgens hem geen wonder dat het journaille in de huidige dagbladcrisis van almaar dalende oplages de rekening van de schrijvende domineestraditie gepresenteerd krijgt. Het publiek wil namelijk nieuws en haalt dat dan maar elders, aldus de columnist Blokker.
Davies’ klokkenluidende profetie is van een ander en meer feitelijk kaliber. Het begint er al mee dat de auteur in tegenstelling tot Blokker de hand in eigen boezem steekt. Dat er ook maar een dun lijntje zou kunnen lopen van de ernstige laat negentiende-eeuwse levensbeschouwelijkheid naar de laat twintigste-eeuwse vrolijke naargeestigheid van hemzelf; dat hij op eigentijdse wijze de opvattingentraditie van Kuyper en co heeft voortgezet, is een inzicht dat bij Jan Blokker niet is te vinden. Davies doet daarentegen wel aan enige zelfreflectie. Hoe heeft hij -– en met hem het journaille van de hele wereld -– zo naïef kunnen zijn de verhalen over de vernietigingswapens in Irak – aanleiding voor zijn algemene journalistieke zelfkritische onderzoek – te kunnen geloven, vraagt hij zich op de eerste pagina’s af. Wat volgt is een hard feitelijk exposé over de naschrijverij en napraterij in de media, uit angst om de klapper te missen. Van millenniumbug tot de hedendaagse panieksfeer rond de klimaatcrisis blijkt de pers in de wurggreep van machtige pr-instituties -– van overheden, bedrijfsleven en pressiegroepen. Tegelijkertijd is ze voor haar nieuwsgaring steeds meer aangewezen op een klein aantal grote persbureaus -– onderzoek onder Engelse kwaliteitskranten wees uit dat de afgelopen jaren steeds minder journalisten steeds meer pagina’s moesten vullen en dat ruim negentig procent van de nieuwsvoorziening kwam van derden -– rapporten, pr-chefs en persbureaus en dergelijke.
In plaats van waarheidsvinding is accuratesse het journalistieke sleutelbegrip geworden. En voor de duidelijkheid: dat zijn twee verschillende dingen. Een journalist die anno 2010 wordt geconfronteerd met twee elkaar uitsluitende meningen over zoiets simpels als het weer vertoont, aldus Davies, een bedenkelijke reflex. Hij zal netjes accuraat en ’objectief’ noteren wat deskundige a en wat deskundige b vindt, aan zelf buiten gaan kijken, aan waarheidsvinding gaan doen, komt hij niet toe, alleen al omdat de tijd ontbreekt, want er moeten nog minstens een paar berichten en een ’leuk stukje’ af. Verantwoordelijk voor deze kritiekloze reproductie is de commercialisering van de journalistiek: De Robert Murdochs van de wereld dus die in ons land worden vertegenwoordigd door een Belg.
De journalist wordt niet gemodelleerd naar Blokker opvattingenscribent, hij dreigt een stukjesboer te worden. Deze ontwikkeling lijkt zich ook in de Nederlandse media door te zetten, getuige een verkennend onderzoek van de Nijmeegse Radboud Universiteit van 2009 waaruit bleek dat ook hier te lande de pers steeds meer herschrijft wat derden aandragen. Het aloude middel van waarheidsvinding is, als we Davies mogen geloven, uit het innerlijk systeem van krant verdwenen en dreigt ook bij de journalist te verdwijnen.
Hoe het verder moet met de volgens Blokker aan commentaardrift lijdende en volgens Davies lamgelegde journalistiek? Desgevraagd zei Nick Davies op een masterclass voor de omroep in Hilversum dat hij een krant voor zich zag die berichten van persbureaus als Reuters integraal en met bronvermelding overnam, en eens per week met een bijlage kwam met resultaten van eigen onderzoeksjournalistiek. De oplossing van Blokker -– journalisten moeten weer gewoon hun werk op straat gaan doen -– lijkt tot het rijk der fabelen te behoren. Wat natuurlijk ook kan: de journalist als schrijver van achtergrondstukken, zodat we het nieuws elders in de krant en de media beter kunnen wegen, de journalist, kortom, als middelaar tussen mens -- de lezer -- en macht. Komt de door Blokker gesmade beschouwtraditie toch nog van pas.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.