In zijn maandelijkse essay buigt Willem Jan Otten zich over het burgerinitiatief Voltooid Leven. „Het klinkt allemaal zo humaan en vanzelfsprekend, er spreekt uit dit proza zoveel nobele inleving – waarom zijn we niet al tweeduizend jaar geleden op deze gedachte gekomen?”
In de eerste week van april 1958 trof mijn broer de hamsters Dik en Trom roerloos aan in hun terrariumachtige hok. Ze hadden zich verscholen in het zaagsel. Mijn broer was net vijf, het waren zijn hamsters, sinds een week. Het kwam, terwijl hij in Trom prikte, niet in hem op de hamsters dood te noemen. Wel in mij. Dat mijn broer mij vervolgens tegensprak, en zeker wist dat een van de hamsters nog ademde, duidt er op dat ook hij al wist wat dood was. Maar wat wisten we?
Ik probeer me dit te herinneren, omdat de burgerinitiatiefgroep ’Uit vrije wil’ het recht op een levenseinde naar eigen keuze weer eens op de politieke agenda heeft gezet. Het opeisen van de goede dood is in ons land een terugkerend ritueel dat een sterk religievervangend karakter draagt. God is dood, maar de dood wordt God.
Vandaar dat ik het me afvraag. Van wanneer dateert mijn eigen doodsbesef? En wanneer begon ik te beseffen dat ik dood kan willen?
De dood is een besef, en heeft in ieder afzonderlijk leven zijn eigen geschiedenis. Dood kan alleen een ander zijn, toch is het besef van sterfelijkheid bij uitstek dat wat ik als enige op mijn wijze besef. Je kunt je zelfs afvragen of we wel bewustzijnen waren geworden zonder het onvatbare doodsbesef.
Hoe het mijne zich na de hamsters verder heeft ontwikkeld kan ik het beste begrijpen aan de hand van een scène die ik vijftig jaar later te zien zou krijgen in een film van Michael Haneke, ’Das weisse Band’. Daarin spreken een meisje van veertien en haar broertje van ongeveer acht over de dood, naar aanleiding van een gestorven vogeltje. Het is voor deze scène goed te weten dat de moeder van de kinderen is gestorven, maar dat tegen de jongen is gezegd dat zij ’op reis’ is. In de dialoog stelt de jongen de verschrikkelijke vraag : gaat iedereen, net als het vogeltje, eens dood? Op een of andere manier maakt Haneke volstrekt duidelijk hoe socratisch en dapper kinderen van acht zijn. Ga jij dood? Ga ik ook dood? En, ten slotte: mamma is niet op reis, hè?
Onvergetelijk het kind waarin de dood zich nestelt, onvergetelijk ook de ogenblikkelijke opstand van hetzelfde kind: hij slaat in een gebalde explosie van woede zijn bord van tafel. Het hoeft niet te worden gezegd, want we beseffen het terdege: de jongen kent op slag ook het doodsverlangen, de virulente, bijna driftmatige wens om niet te bestaan – die misschien wel de opstand bij uitstek is.
We hebben het te beseffen, en ook al worden weinigen zelfmoordenaars, nooit zal het niet schokkend zijn: we kunnen dood willen.
Mijn eerste reactie op de hoogmis ’Uit vrije wil’ was, als altijd als ik proza van voorstanders van de goede dood lees, kinderachtig. Ik dacht: blijf met je tengels van mijn dood af.
Dat is raar, om niet te zeggen onheus, want de initiatiefnemers zeggen helemaal niet dat ik dood moet. Ze zeggen dat mensen ouder dan zeventig die klaar met leven zijn en aftakeling tegemoet gaan hun sterven onder medische begeleiding zelf ter hand moeten kunnen nemen. Ongestraft.
Het is een zeer humaan, beschaafd, en zelfs een beetje een deftig voorstel.
Veel beschaafder, lijkt het, dan het andere Voorstel op Leven en Dood, dat in de jaren zeventig van de vorige eeuw geleid heeft tot de legalisering van de abortus. Ik bedoel, dat was een grootscheepse poging om wat van oudsher beschermd moest worden om te denken tot iets wat ’nog geen mens’ was, teneinde het ongedaan te kunnen maken. Want dat was het resultaat: het leven van ongeborenen kon, dankzij het criterium van de ’levensvatbaarheid’, straffeloos worden afgebroken zonder dat we het nog ’doden’ hoefden te noemen.
Hoe anders gaat het toe bij Sutorius cum suis! Hier gaat het om het afbreken van toekomstloze levens die eigenlijk al geleefd zijn. Om mensen die „het gevoel hebben zichzelf te overleven en door de dood te zijn vergeten”. Van de samenleving wordt gevraagd om eindelijk „werkelijk te luisteren naar het doodsverlangen van onze oude medeburger”.
Het klinkt allemaal zo humaan en vanzelfsprekend, er spreekt uit dit proza zoveel nobele inleving, dat je je achter je oren krabt – waarom zijn we niet al tweeduizend jaar geleden op deze gedachte gekomen?
Misschien was de slangebeet van Cleopatra pijnlijker dan de plastic zak van Stichting De Einder, maar altijd veel minder pijnlijk dan creperen van de cholera. Waarom zijn er in Alexandrië geen slangenkwekerijen ontstaan, teneinde deze dood voor iedereen bereikbaar te maken? Waarom heeft Cleopatra niet eerst een Stichting ter Bevordering van de Goede Dood opgericht voor ze de hand aan zich zelf sloeg?
III
Het is moeilijk om je een mens voor te stellen die zich, eenmaal wakker gekust tot bestaansbesef, niet zijn sterfelijkheid realiseert. Nog moeilijker voorstelbaar is de mens die helemaal nooit aan zelfmoord denkt. Ik bedoel niet: aan werpen voor de trein of je storten in je eigen zwaard, maar voorwaardelijker. Als ik nu ophield te bestaan, dan zou ik er vanaf zijn. Waar vanaf? Van wat ik besef.
Het gaat hier om wat Wittgenstein ’denkbewegingen’ heeft genoemd – realiseringen die zich al gedacht hebben voor ze beseft zijn. We kunnen ze al denken voor we onze eerste gedachte hebben; we worden erdoor gericht. ’Hebben’ is hier een notoir absurd werkwoord, er zijn denkers die bij voorkeur spreken van ’gedacht worden’; de dichter Hans Faverey zegt dat ’het’ ons denkt. Wat we ook maar hebben, niet onze denkbewegingen.
Dat is beslist ook het komieke van een reeks notities als deze, waar de gedachten met een apodictisch ponteneur achter elkaar zijn geplaatst. Het gaat in mijn hoofd anders toe dan hier – en ik denk dat ik daarom zo achterdochtig word van het project van Sutorius, die steeds zegt dat hij niets anders wil uitvoeren dan wat doodwensers ’consistent en weloverwogen’ willen.
Ik ken mijn hoofd slecht, dat is vermoedelijk de reden waarom ik schrijf, maar wát ik ervan weet is dat het er verraderlijk aan toe gaat. Ik beschouw mijzelf niet als virulent depressief, toch word ik om de andere ochtend wakker met een soort smeulende doodswens. Wat mij frappeert is hoe lucide ik dan ben – het is helemaal niet moeilijk om terecht naar de dood te verlangen. Tegelijkertijd word ik al even regelmatig – om niet te zeggen: steevast – besprongen door aanvallen van dankbaarheid. Het is een beschamende toestand, mijn hoofd. Dat ik het allemaal niet op papier kan krijgen is een zegen.
Wat mij treft is dat Vrije Willers het niet over wanhoop hebben, of over dorheid, of over lijden. Ook dankbaarheid komt niet in hun vocabulaire voor. Hun hele dogma van de tijdige dood gaat uit van mensen die hun lijden vóór willen zijn. Ze zeggen zelfs: waardig leven is het lijden vóór zijn.
Dik en Trom werden overigens met optimaal ceremonieel, onder leiding van mijn moeder, naast elkaar gelegd in de doos van de nieuwe schoenen van mijn broer (bedoeld om een Kijkdoos van te maken) en begraven op het landje tegenover ons huis in Nieuw-Zuid. Niet veel later begon op exact die plaats de bouw van wat later de Rai bleek te zijn.
Ongeveer een jaar na de hamsters zag ik een film die mij een ongekende, en sindsdien ook nooit geëvenaarde vereenzelviging bereidde met een jongen van exact mijn leeftijd. Het gaat hier om een onbeschrijfelijke, extatische identificatie – tot in de dood. Dat is wonderlijk, als je bedenkt dat het om een kinderfilm ging, die zondagochtend op het matinee werd vertoond. Ik mocht dat voorjaar elke zondag helemaal alleen naar Du Midi fietsen, de bioscoop terzijde de Apollohal. Ik moet de film wel vijf keer gezien hebben.
De jongen heette Folco. Hij leefde maar liefst in de Camargue, op een of andere manier ben ik dat nooit vergeten. Hij woonde met een knikkebollende grootvader en een driejarig zusje in een wit huisje in een onafzienbaar, zonovergoten moerasgebied met kreken. Hij was alleen, op de volstrekte, weergaloze wijze waarop een achtjarige dat kan zijn. Hij ving vissen, in zijn eentje. Hij voer uit met zijn boot, in zijn eentje. Hij legde contact met een wild paard, in zijn eentje.
Naar dat paard, een witte hengst, is de film genoemd: Crin-Blanc. Er wordt op het paard gejaagd door paardenhandelaars. De jongen is de enige die hem kan bestijgen. Natuurlijk wordt hij vervolgens opgejaagd door de mannen, dwars door de kreken, de rietlanden, de duinen van de Camargue net zo lang tot de zee wordt bereikt, en dan gebeurt het: het paard, dat van alle kanten wordt ingesloten, stort zich in de golven met de jongen op zijn rug. Of is het andersom – stort de jongen zich met zijn paard in het water?
Het is het einde van de film: een jongen van acht op een paard in de golven van de zee en ze zwemmen, dwars door steeds hogere golven zeewaarts. Je weet dat ze niet zullen terugkeren.
Ik heb de film, waarvan ik bijna dertig jaar lang de titel was vergeten, begin jaren negentig hervonden dankzij het Filmmuseum, en sinds kort bezit ik er een dvd van. Ik weet nu dat hij gemaakt is in 1953, door Albert Lamorisse. Altijd wanneer ik het slot zie overweldigt me de mengeling van verrukking en afgrijzen die me de eerste keer in 1959 doorvoer. De jongen gaat dood! Hij ontsnapt aan zijn achtervolgers, hij springt naar de vrijheid en hij gaat dood!
Ik beweer niet dat hiermee de genesis van de denkbeweging die ik bedoel – ’Ik kan er ook niet zijn’ – is beschreven. Ik weet alleen maar dat ik, wanneer ik mij zo werkelijkheidsgetrouw mogelijk het smeulen van de dood, en het soms merkwaardig geruststellende, heel soms extatische en vaker doffe verlangen ernaar probeer te herinneren, ik mijn herinnering gekleurd, of zelfs: gedefinieerd weet door het einde van ’Crin-Blanc’.
Je hoort het wel eens, soms staat het zelfs in een rouwadvertentie: dat iemand te vroeg is gestorven. Het is een wat hulpeloze formulering, die suggereert dat mensen ook op tijd zouden kunnen sterven.
Sinds het initiatief van Sutorius is het niet ondenkbaar dat er van mensen vermeld zal worden dat zij tijdig of bijtijds zijn gestorven. Van bijvoorbeeld Hugo Claus werd dat al gezegd: die leed merkbaar aan alzheimer en had gezworen de wisse aftakeling vóór te zijn. Volgens enkele intimi waren er al perioden geweest waarin hij, verward en monkelend, zijn doodswens vergeten leek te zijn. Kennelijk is de nevel van zijn vergetelheid even opgetrokken en kon hij, wilsbekwaam en wel, onder doktersbegeleiding de beker met barbituraten aan de mond zetten. Hij zal de geschiedenis ingaan als de eerste tijdig gestorven Vlaming. Volgens de meeste necrologen paste deze dood bij Claus. Zijn dood werd, zou je kunnen zeggen, gerecenseerd door zijn literaire nazaten; hij maakte deel uit van zijn oeuvre. Ik herinner me zelfs dat Kees Fens schreef dat Claus een buitenformaat dood was gestorven.
Ook herinner ik me een reactie van Kader Abdolah, een bewonderaar van Claus’ werk. Hij schreef dat dit einde juist kleiner, armzaliger was dan paste bij de zanger van het volle, volledig lichamelijk geleefde leven. Abdolah vond Claus helemaal niet moedig, hij opperde dat Claus bang was geworden, voor wat het leven nog in petto had voor hem. Ook tandeloos en kwijlend mummelen is leven.
Dat hebben we gezien aan het levenseinde van de door Claus zo gehate vorige paus. Die sprak lispelend van de ouderdom als een kruis dat hij op zich nam.
Vreemde woorden moeten dat voor Sutorius en de zijnen zijn. De paus wekte tot het eind toe de indruk liever te sterven dan klaar met leven te zijn, al mag je aannemen dat hij soms verlangd zal hebben naar de dood. Verwarrend allemaal, want hem wachtte toch ook een hiernamaals – dan heb je toch helemáál een goede, consistente reden om je te vervoegen bij de Stichting De Einder?
VII
Het burgerinitiatief van Sutorius was het sluitstuk van de Week van het Voltooide Leven, georganiseerd door de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde. Mij is die week ontgaan, ik was in St. Petersburg, waar de strengste winter sinds 130 jaar heerste.
Er wordt in Rusland niet over euthanasie gedebatteerd. Er is daar de Kou van Drion – als je je vol giet met wodka en je op straat laat vallen, word je de volgende ochtend dood gevonden.
Ik had de poëzie van Anna Achmatova bij me, de grote Petersburgse dichter, die in het holst van de Stalinterreur (haar werk was al een decennium verboden, haar echtgenoot was gefusilleerd, ze moest vrezen voor het leven van haar opgepakte zoon) een gedicht over het doodsverlangen heeft geschreven; de dood zou haar pas in 1966 halen.
Aan de dood
U komt beslist een keer. Waarom niet nu?
Ik wacht u op. ’t Wordt mij te machtig.
Ik doofde ’t licht en opende de deur voor u,
Zo simpel en zo raadselachtig.
Neem elke vorm aan die u maar te binnen schiet,
Kom mij met gasgranaten overvallen,
Of met een loden pijp, zoals een aartsbandiet,
Vergiftig me met tyfuswalmen.
Kom als een sprookje, door u zelf bedacht,
Tot walgens toe bekend uit het verleden,-
Waarin steeds weer een blauwgemutste wacht
En ook een huisbaas, bleek van angst, optreden.
’t Maakt mij niet uit. De Jenisej vervolgt haar dans,
De Poolster werpt haar licht van boven.
In de geliefde ogen zal de blauwe glans
Ten slotte van ontzetting doven.
(Vertaling Margriet Berg/Marja Wiebes)
VII
De tijdige dood. Dat was dus die van Ans Nieuwenbrug-Bron, de 93-jarige oud-lerares aan wie vorige week een mooie maar onbevredigende documentaire was gewijd. Zij had haar afspraak met de overdosis en de plastic zak al gemaakt, maar ze wilde tijdens het afscheid haar vriendin die haar filmde (Margot Donkervoort) niet zeggen wanneer precies.
Het was een aangrijpende scène die duidelijk maakte dat de aangekondigde, voorgenomen dood een harde dood is, die een stoïcijnse discipline vooronderstelt.
Het ouderwetse idee dat een mens stervend het punt bereikt waarop hij het leven los kan laten of zich overgeeft, lijkt te moeten worden vervangen door een bijna verbeten poging om zo goed mogelijk beslagen op het sterfijs te verschijnen.
Intussen was het duidelijk dat Ans Nieuwenbrug-Bron leed onder de voorstelling van haar aftakeling. Ze voerde argumenten aan voor haar voornemen die, van buitenaf bekeken, geen hout sneden – zoals dat ze dood wilde vóór ze achter een rollator moest, of vóór ze de trap niet meer af kon en dus beneden zou moeten slapen, ’dat vind ik een stuk afbraak’.
Ik zeg dit niet om de ernst van haar doodswens in twijfel te trekken. Ze leed, leek me, aan de ’bijzondere moedeloosheid’ waarvan Bert Keizer vorige week schreef dat die door sommige hoogbejaarden wordt gevoeld.
Juist omdat haar leven zo welverzorgd was (de documentaire blonk uit in het registreren van haar dagelijkse handelingen en haar prachtige handen), juist daarom was het duidelijk dat de alles bedisselende hang naar waardigheid haar kruis was. Ze had een soort economische, bijna vakbondsachtige benadering van haar lot. Tot hier en niet verder.
Toch ontkende ze met kracht dat haar doodswens met ’de afbraak’ te maken had. De (tactvolle) voorstellen van haar vriendin om haar leven aan te passen aan haar ouderdom irriteerden haar, Natuurlijk, ik identificeerde me met die vriendin, die dol was op haar oude lerares van de Werkplaats. Ik heb een 82-jarige moeder die van de daken schreeuwt dat haar leven zo vooruit is gegaan sinds zij de rollatorschaamte heeft afgelegd. Maar deze Grande Dame was koppig. Er trok dan iets bitters over haar gezicht, hulp behoeven was vernederend.
Het kwam erop neer dat ze zei dat niets echt een argument was om zichzelf het leven te benemen, behalve het ene, magische: dat haar leven klaar was. Ik kreeg de indruk dat zij haar vriendin wilde behoeden voor de gedachte dat er aan haar besluit te tornen viel, of nog beter: ze wilde coûte que coûte dat niemand na haar dood ooit het gevoel zou hebben dat hij haar had kunnen weerhouden. Geen schuldgevoel! Daarom, schat ik, had ze ook ingestemd met dit televisieportret. Ze wilde de wereld tonen dat ze sterker was dan de dood.
Overigens was de film tot stand gekomen met medewerking van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde en van de zelfdoodhulpverleningsorganisatie De Einder. Je kreeg van lieverlee de indruk naar de ideale sterver volgens Sutorius te kijken, zeker toen zij haar vriendin ervan begon te overtuigen hoe volkomen autonoom en vrij haar doodswens was. Het kwam erop neer dat ze als het ware moest bewijzen dat zij nog helemaal niet aan sterven toe was. „Ik ben nu fit, ik kan nu de beslissing makkelijk aan.” Ze had de laatste weken goed gegeten, om een sterke maag te hebben, die de barbituraten binnen zou kunnen houden. Het was een soort race tegen de wil: hoe sterker en gezonder ik ben, des te beter kan ik willen. Ze stierf, zou je kunnen zeggen, levenslustiger dan in tijden.
Er is heel wat kracht nodig voor zelfmoord, hoe zachter die is hoe halsstarriger je moet zijn, je kreeg de indruk dat ze het nog maar net aankon. In die zin was haar dood wat je noemt tijdig. Ze zorgde er voor dat de dood haar niet kon halen, om zelf zo krachtdadig mogelijk zijn plaats in te kunnen nemen.
Om helemaal zelfstandig, helemaal alleen, op een van te voren met zich zelf afgesproken datum, niemand tot last zijnde, nauwkeurig de instructies voor het Tijdige Levenseinde opvolgend, de hand aan zichzelf te slaan.
VII
Laat ze toch, met hun maakbare dood, hun waardige einde, ze vallen toch niemand lastig? Jíj en de jouwen kunnen net zo slobberig sterven als jullie helemaal zelf willen. Tel je zegeningen, geen van je stervenden heeft tot op heden gevraagd om méér ingrijpen dan een sedatie. Geef toe, als ze stierven was je ontredderd, maar ook blij dat ze de dokter niet om de tijdige dood hadden gevraagd – er was, hoe dan ook, toch een beker aan je voorbijgegaan.
VIII
Het duurde tot na afloop van de documentaire voor ik begreep wat er onbevredigend was geweest: er was vrijwel niet gesproken over haar directe nabestaanden, haar vier zonen, schoondochters, kleinkinderen.
Waren zij inderdaad allemaal buiten de daad gehouden?
Begin jaren tachtig schreef de zeer oude socioloog Norbert Elias een boekje met een titel die ook die van de documentaire had kunnen zijn: ’Over de eenzaamheid van stervenden in onze tijd’.
Het is een onbevredigend geschrift, dat misschien wél een soort verklaring geeft voor de individualisering die maakt dat we steeds banger voor het sterven worden terwijl we steeds minder te vrezen hebben van het leven na de dood, maar dat zich nauwelijks bezighoudt met het merkwaardige, spookachtige middel waarmee we deze stervensangst denken te bestrijden – de zelfmoord.
Maar de titel is aangrijpend, en zal dat vooralsnog blijven.
Te menen dat je de zielsziekte van de tijd kunt genezen met een wet die zelfmoord vrijgeeft – is dat wat in vroeger tijden ’hoogmoed’ heette?
Eén ding staat voor mij vast – datgene wat werkelijk verruimd wordt is de eenzaamheid.
Bert Keizer, die ’ondanks vele haken en ogen’ wel iets lijkt te zien in het initiatief, merkt in zijn column vorige week zaterdag op dat hij, als verpleeghuisarts, jaarlijks ten hoogste drie gevallen van tijdig en begeleid sterven aan kan. „Ik wil hiermee zeggen dat er een grens is waarna het begeleiden van doodswensen óf ondoenlijk wordt, óf verwatert tot formaliteit.”
Dat er ’geoefende mensen’ moeten komen, zoals het initiatief zegt, is duidelijk. ’Doodswenskenners’ noemt Keizer ze alvast.
Wie het ook worden – artsen of speciaal opgeleiden – ze zullen een bijzondere positie innemen. Ze zullen iets weg hebben van priesters tijdens het toedienen van het laatste sacrament. Ze zullen het equivalent van een biecht afnemen – om de consistentie en weloverwogenheid van de doodswens te toetsen. Ze zullen de zegen uitspreken over de afheid van het te beëindigen leven. En daarna zullen zij het zijn die de beker met barbituraten overhandigen.
Wie weten zich geroepen tot dit zegenrijk werk? Waar komt hun seminarie te staan?
Iets zegt me dat ik liever sterf dan te vallen in handen van de doodswenskenners van Sutorius.
So what? Dan sterf je toch je eigen dood?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.