„De gemaskerde mannen dragen zwaarden bij zich. Ze hebben geen haast. Ze gaan te werk alsof ze straks een potje golf willen spelen of een balletje trappen.” Televisiebeelden uit Irak bereiken Ibrahim Selman onverwacht via een filmpje op YouTube. Ze laten hem niet meer los.
Ik kom thuis na een intensieve werkdag en snak naar rust. Na het avondmaal kruip ik even achter de computer om mijn e-mail te bekijken. Ik verwijder eerst de spam en open dan de rest. Er zit een e-mail tussen van een kennis die ruim vijfendertig jaar geleden uit Irak vluchtte en ook in Nederland woont. Zijn berichten bevatten meestal grappige nieuwsitems die met Irak te maken hebben. Meestal moet ik om de inhoud hartelijk lachen.
Ik klik op een link naar YouTube. Het is een fragment van tien minuten uit een live tv-uitzending. Voor de rechtbank staat de gevreesde Fidaiyeen Saddam, een speciale eenheid van wijlen Saddam Hoessein, belast met het uitschakelen van oppositiegroepen en individuen. De rechter is een jonge man met zeer kort haar.
Hij kijkt op zijn laptop, naar videobeelden in zwart-wit van een feestelijke, openbare gebeurtenis. Je ziet een militair in de open lucht het vonnis van een aantal veroordeelden voorlezen. Als hij klaar is, dragen achter hem gemaskerde, in het zwart geklede mannen drie andere mannen naderbij. Hun armen en benen zijn vastgebonden, hun gezichten afgedekt.
De vastgebonden mannen worden over een betonnen muurtje van zo’n zestig centimeter hoog gelegd, ongeveer twee meter van elkaar af. Ze worden zo neergelegd dat hun hoofden vrij liggen.
De gemaskerde mannen dragen zwaarden bij zich. Ze hebben geen haast. Ze gaan te werk alsof ze straks een potje golf willen spelen of een balletje trappen.
De gezichten van de vastgebonden mannen zijn op de grond gericht. Eerst beginnen de gemaskerde mannen met een soort lange tang de tongen van de vastgebonden mannen vast te zetten. Vervolgens snijden ze die af.
De gebonden mannen bieden geen verzet. Ze lijken verdoofd. Als de tongen afgekat zijn, worden de zwaarden tevoorschijn gehaald. De gemaskerde mannen kijken nog even of de hoofden in de goede positie staan.
De ene beul heeft meer haast dan de andere. De een hakt het hoofd in één keer los, de ander moet twee keer slaan voor het lukt. De een neemt de hele hals mee, de ander laat die aan de romp hangen. Als de drie hoofden er helemaal af zijn, hoor je vreugdekreten. Twee hoofden worden van de grond geraapt en door de lucht gezwaaid. Er wordt gedanst. Het beeld wordt stilgezet.
We zien de jonge rechter weer in close-up. Hij heeft het benauwd, wordt bevangen door een woedeaanval. Hij slaat zijn laptop met een klap dicht en kijkt naar de verdachtenbank. Daar zitten de beulen van toen. Ze worden van dichtbij in beeld gebracht. In hun kooi gedragen ze zich anders dan toen zij dansten met het zwaard in de ene hand en het hoofd in de andere hand.
De rechter schreeuwt. „Nu, sluit je je ogen, hè? Wat ben je menselijk geworden! Nu kun je het niet meer zien. Denk je dat we daar intrappen?”
Er zit ook een vrouw in rouwkledij in de zaal. Ze is een familielid van een van de slachtoffers.
Een van de dansers zegt: „Mijnheer, inderdaad, ik ben op de video te zien. Maar ik heb niets gedaan. Ik heb alleen gedanst. Ik zweer het, ik heb die mannen niet onthoofd.”
Het filmpje eindigt met een close-up van de rechter die geen woorden meer heeft en met zijn hand langs zijn gezicht veegt.
Deze beelden werden op 28 januari 2010 live uitgezonden op de Iraakse televisie.
Tijdens het kijken weet ik niet wat me overkomt. Ik wil het beeld stilzetten. Ik wil niet kijken. Ik draai me om. Ik bedek mijn ogen. Toch is er in mij een kracht die de afschuwelijke beelden wil zien. Ik kijk de tien minuten helemaal af.
Ik sta op, zonder de computer te sluiten, en begin te ijsberen. Ik loop de trap af naar beneden en ik loop weer naar boven. Ik ga op de wc zitten. Mijn hoofd wordt zwaar. Mijn handen houden het vast.
De beelden van de tang en het afhakken van de tongen laten me niet los. De zwaarden gaan omhoog en de hoofden rollen op de grond. Niet één keer maar constant. Jaren geleden heb ik een dergelijk e-mail geopend die me maanden bleef achtervolgen, vooral in mijn slaap.
Ik besef eens te meer dat ik in de positie van de slachtoffers had kunnen zitten, als ik niet was gevlucht. Ik had dan geweten hoe het was om gedragen te worden, om letterlijk je tong te verliezen en dan je hoofd. In die laatste seconden had ik misschien een aantal briljante gedachten gehad. Maar van de momenten die daarop volgden had ik niets meer geweten.
Die ervaring gun ik niemand. Niemand? Dat kan ik, met de beelden in mijn hoofd, eerlijk gezegd niet volhouden.
Ik heb geen nee gezegd tegen de executie van een man als Ali Hassan Al-Majeed, neef van Saddam, beter bekend als Ali Chemicali. Op 25 januari jongstleden werd hij opgehangen.
Helaas zijn er geen beelden van vrijgegeven. Niet dat ik van afschuwelijke beelden houd, maar als er iemand op aarde rondliep die een openbare terechtstelling verdiende, dan was het Ali Chemicali. Zijn proces heeft jaren geduurd, hij werd veroordeeld tot vier keer ophanging. Eén keer was genoeg. Er werd alleen een foto vrijgegeven waarop een man in oranje kleding te zien was, met een zwarte zak over zijn hoofd. Onherkenbaar.
Ali was een levensgenieter. Hij genoot niet alleen van seksorgieën, maar ook van martelen en moorden. Hij bedacht diverse soorten martel- en moordmethodes. En hij genoot ervan om die op video op te nemen en terug te zien.
Een van zijn beruchtste methodes was een slachtoffer brandstof te laten drinken en dan een kogel door zijn maag te schieten. Ook explosieven op het slachtoffer aanbrengen en die met een afstandbediening laten ontploffen was een geliefd spelletje. Na de bevrijding van Irak in 2003 kwamen diverse videobanden in de handel waarop je Ali Chemicali aan het werk kon zien. Een ervan toont hoe hij arrestanten in het gezicht schopt en met zijn laarzen op het hoofd trapt. Alleen Uday, de oudste zoon van Saddam, kon met Ali concurreren in martel- en moordpartijen.
Ali was nogal grof in de mond. Op een geluidsband is te horen hoe hij Koerden behandelde als ze zich overgaven omdat ze geloofden dat hij amnestie had afgekondigd. Lachend zegt hij: „Wat moet ik met al die duizenden? Op mijn hoofd zetten, zeker? Nee, ik weet een betere plaats voor ze. We hebben gelukkig een grote woestijn. Daar horen ze begraven te worden.” Hij blufte niet. Duizenden Koerden liet hij levend in de Iraakse woestijnen begraven.
Voor de rechtbank toonde hij geen berouw en geen spijt. Hij zei dat hij hetzelfde zou doen als hij weer in de gelegenheid was.
Ruim een kwart eeuw lang werden heren als deze door de beschaafde wereld beschouwd als vrienden, handelspartners en noem maar op.
Het Iraakse publiek wordt dagelijks getrakteerd op beelden uit Saddams periode. Het ziet dagelijks de rechtszaken, waarbij de afschuwelijkste daden worden getoond.
Als de executie van Ali Chemicali was uitgezonden, zouden er misschien demonstraties zijn geweest vanwege het ’onrecht’ dat de man was aangedaan. Hij heeft vele sympathisanten, ook buiten Irak.
Nu hebben zijn aanhangers op de dag van de executie tientallen mensen gedood, onder meer door zelfmoordaanslagen. Als ze weer aan de macht komen, zullen ze niet terugschrikken voor onthoofdingen en het gebruik van chemische wapens.
Saddam Hoessein en zijn neef Ali hebben zich gekloond in miljoenen. Irak zal het de komende vijf, zes, zeven generaties merken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.