*

 

Luiheid als ideaal

Herman M. van Praag − 13/02/10, 00:00

Volgens sommigen gaf de Schepper het mooiste voorbeeld van ’ideale luiheid’: na zes dagen werken, rust hij voor eeuwig uit. Volgens Herman van Praag miskennen zij de ’inspirerende lading’ van het godsbegrip. „God symboliseert voor mij onbeperkte en niet aflatende creativiteit.”

  •  (FOTO JÿRGEN CARIS, TROUW)
    (FOTO JÿRGEN CARIS, TROUW)

Wat drijft een leven vooruit? Wat zijn de drijfveren om te leven? Een belangrijke krachtbron is de zin die de mens eraan weet te geven. Zin betekent in dit verband: betekenis. Zingeving acht ik equivalent aan betekenisgeving. Ik prefereer de laatstgenoemde term. Hij laat pregnanter zien waarom het gaat: inhoud geven aan het leven.

Een mens komt ’leeg’ ter wereld, nog zonder bestemming, oogmerken of ervaringen. Hij is een complex van mogelijkheden, maar draagt nog geen bagage met zich mee. In de loop van de tijd vult hij zijn leven in, goeddeels naar eigen keuze.

Betekenisgeving begint met het stellen van doelen. Een manager die een medewerker een gecompliceerde opdracht toekent deelt in wezen een compliment uit: ik heb vertrouwen dat je het aankunt. Een mens die zichzelf een opdracht geeft, gelooft in zichzelf. Dat bevordert zelfrespect en zelfvertrouwen.

In actie komen om de gestelde doelen te bereiken wekt een gevoel van bevrediging op, het bereiken ervan tevredenheid. Ik leef ergens voor, en aan het einde van de rit: ik heb ergens voor geleefd. Die conclusie hoopt vrijwel ieder mens eens te kunnen trekken. Iemand heeft het goede, eventueel het beste, uit zichzelf weten te halen. Er zijn niet veel mogelijkheden onbenut gebleven.

Betekenisgeving geldt in eerste instantie de eigen persoon: we willen tevreden zijn met en over onszelf. In iedere volgende instantie betreft betekenisgeving de omgeving. Ik wil van betekenis zijn voor een ander, anderen of de samenleving. Alleen het eigen bestaan betekenis geven staat gelijk aan maatschappelijke onverschilligheid. Daar loopt de ander gemakkelijk een achterstand bij op. Een dergelijke instelling vult mogelijk een leven, maar vervult het niet.

Betekenisgeving veronderstelt een zekere mate van altruïsme, van oog hebben voor wat de ander ten goede komt. In het algemeen dienen de gestelde doelen dan ook enig maatschappelijk en ideëel belang. Het doen van vrijwilligerswerk, kunstzinnige of wetenschappelijke activiteiten, of, minder zichtbaar, maar niet minder nobel, het voornemen ’er iets van te maken’ in het gezin, het werk, het verenigingsleven.

Doelen kunnen ook strikt materieel van karakter zijn. Iemand wil dan boven alles ’van het leven genieten’. Bezit vergaren, culinaire bevrediging, seksuele escapades worden de raison d’être. Dergelijke activiteiten leveren weliswaar bevrediging op, maar zijn waardeloos waar het om betekenisgeving gaat. Overeenkomstig hun materiële karakter bevredigen ze het lichaam, niet de geest.

Er bestaan andere ideeën over zingeving. Ik bespreek één ervan, tegengesteld aan de mijne. Niet ondernemingsgeest maar luiheid zou de ultieme staat van tevredenheid opleveren. Zin en betekenis worden losgekoppeld.

Wat houdt het begrip luiheid in? Ik omschrijf het als onvermogen dan wel onwil tot planmatig leven, weerstand om doelgerichte activiteiten te ondernemen.

De begrippen luiheid en indolentie zijn verwant, maar verschillen op één kardinaal punt: bevrediging. De staat van luiheid levert (enige) satisfactie op, die van indolentie niet. Indolentie is in feite een deficiëntietoestand.

Luiheid als ideaal. Wilfred Takken schreef vorig jaar in NRC Handelsblad: „De mens doet niets liever dan in een hangmat in de zon liggen, drankje bij de hand, eventueel een niet te moeilijk boek, en een dame met een rustige stem om de voeten te masseren.” Uit niets blijkt dat hij die uitspraak zuiver ironiserend bedoelt. Takken sluit zich, zonder kritiek, aan bij de visie van de Russische schilder Kazimir Malevitsj. Deze achtte ’werken een vloek’. „Luiheid dient het doel te zijn waarnaar de mens moet streven.” De mens werkt, zo meent hij, teneinde de zalige staat der luiheid te kunnen bereiken, het nietsdoen ’waarvan iedereen droomt’. „Werken is de enige weg om de luiheid te bereiken.”

Voor Malevitsj is de staat van luiheid niet hetzelfde als totale inactiviteit. Luiheid, zo stelt hij, heeft betrekking op lichamelijk nietsdoen, „waarbij iedere lichamelijke activiteit wordt omgezet in pure geestelijke activiteit, erop gericht om zo snel mogelijk alles ter wereld te leren kennen en begrijpen, anders gezegd, een volledige kennis van het universum te verwerven”.

Luiheid dus begrepen als een volledige concentratie op het eigen (geestelijke) bestaan, een toestand van permanente zelfgerichtheid, een geestelijke staat die zich diametraal verhoudt tot wat ik zie als de kern van zingeving: het doelbewust gericht zijn op wat ik nu maar even, samenvattend, het niet-zelf noem.

Vervolgens blijkt dat Malevitsj, in tweede instantie, die toestand van ’vergeestelijking’ ziet als een onvolledige, onvolmaakte vorm van luiheid. De ideale staat van luiheid wordt bereikt als de mens niet alleen van werken verlost is, „maar ook niet aanhoudend zijn hersenen hoeft te pijnigen om door te dringen in de geheimen van de natuurverschijnselen [...] en alle fenomenen van de natuur doorzichtig worden [...] en hij een blijvende staat van inzicht en kennis heeft bereikt”. In dit natuurwetenschappelijke en filosofische Utopia ziet hij de hoogste graad van volmaaktheid die het menselijk bestaan kan bereiken.

Twee visies dus op luiheid: aan de ene kant bezien als de uiteindelijke triomf van de menselijke geest en aan de andere kant als een fundamenteel menselijk tekort, een onvermogen of onwil zichzelf in beweging te zetten. Luiheid bezien als staat waarin het leven stagneert, geen uitdagingen (meer) kent, geen mysteries, maar ten prooi valt aan een gevoel van overbodigheid, verzandt in existentiële verveling. Zo gezien is luiheid geen ideaal, eerder een schrikbeeld.

Malevitsj ziet in het scheppingsverhaal een ondersteuning van zijn opvatting. Nadat God de wereld geschapen heeft, zo stelt Malevitsj, schept hij niet meer, maar „rust hij op de troon der luiheid en overdenkt zijn eigen wijsheid”. God is „de volmaakte staat van luiheid”. Malevitsj zegt het de radicale marxist Paul Lafargue na: „Jehova, de baardige, grimmige God, gaf zijn aanbidders het mooiste voorbeeld van ideale luiheid: na zes dagen werken rustte hij voor eeuwig uit.”

Zeker, Malevitsj badineert. Dat neemt niet weg dat hij de inspirerende lading van het godsbegrip volledig miskent. God symboliseert, althans voor mij, onbeperkte en niet aflatende creativiteit. Desondanks schiep hij een wereld die onvolmaakt is, onaf, waaraan voortdurend geschaafd en gebouwd zal moeten worden, die vermoedelijk nooit ’af’ raakt.

Een tegenstelling? Nee, dit had, zo verbeeld ik me, een bedoeling. Gods veelbelovendste creatie, de mens, kreeg zo de kans bij te dragen aan het ’opbouwwerk’. Het noodzaakte hem bovendien zijn creatieve activiteiten voort te zetten. God bestaat bij de gratie van zijn eigen creativiteit. Hij heeft, zo stel ik mij voor, ook zichzelf geschapen. Om die ultieme manifestatie van scheppingskracht in stand te houden is zijn aanhoudende creativiteit vereist. Als hij zou ophouden te creëren zou hij zelf ineenschrompelen. Een God die ophoudt creatief te zijn verliest z’n bestaansrecht, of erger nog, hij houdt op te bestaan. Zo wordt God voor de mens een uniek ’rolmodel’.

Malevitsj voert een tweede ’theologisch’ argument aan voor zijn ’lof der luiheid’: werken is een vloek. Als straf voor de erfzonde wordt de mens uit het paradijs en aan het werk gezet. Dit is inderdaad de gangbare interpretatie van het scheppingsverhaal. Maar ik vat Gods verbod om van de Boom der Kennis van Goed en Kwaad te eten eerder op als een test. De Eeuwige, zoals hij in de Hebreeuwse Bijbel figureert, stelt de mens bij herhaling op de proef. Abraham, bijvoorbeeld, en Job. Gaat Abrahams vertrouwen in God zo ver dat hij bereid is zijn zoon te offeren? Is Jobs godsvrucht bestand tegen een aaneenschakeling van onverdiende calamiteiten?

Ook Adam en Eva, zo verbeeld ik mij, worden op de proef gesteld. Zullen zij Gods verbod om van de befaamde Boom te nuttigen opvolgen of negeren? Als zij het in de wind slaan ligt er een bonus klaar – een die voor de mensheid van onschatbare waarde zal zijn.

Zij zullen dan zowel moreel onderscheidingsvermogen verwerven als weetgierigheid. De uitdrukking ’goed en kwaad’ wordt namelijk in de Hebreeuwse Bijbel gebruikt om iets in z’n gehele omvang aan te duiden.

Adam en Eva slaan Gods verbod in de wind. Dat zal, denk ik, God deugd hebben gedaan. Hij had inderdaad een mens geschapen, geen zombie. Het kan niet zijn bedoeling zijn geweest een soort ledepop te creëren, gespeend van moreel inzicht omdat in het paradijs het kwaad onbekend is, hij heeft geen creatuur zonder drang naar kennis, zonder hoop en verwachtingen willen scheppen, geen wezen zonder de geringste neiging zich in te zetten voor een betere samenleving, omdat in een paradijselijke samenleving niets meer te verbeteren vat. Geen schepsel, kortom, dat de uitdaging niet kent en in feite zou parasiteren op wat God voor hem heeft opgebouwd.

Adam en Eva werden getest. Beschikt mijn schepping over voldoende morele en intellectuele aandrift om een samenleving op te bouwen die voldoet aan de fatsoensnormen die ik, God, heb vastgesteld? Zo ja, dan zullen ze mijn gebod negeren. Zo nee, dan zullen ze het opvolgen, en beschouw ik de schepping van dit schepsel als mislukt.

Er is dus alle reden de primordiale mens dankbaar te zijn. Dankzij hem willen wij weten en ervaren wij schuld en schaamte als we fatsoensnormen overschrijden. Zo bezien is de zondeval een blessing in disguise.

In het paradijs zou de mens gedoemd zijn geweest te vegeteren. Aangeland ten oosten van Eden werd hij aangezet tot activiteit en creativiteit en aldus behoed voor een leven zonder vaart, doelloos ronddobberend op golven van verveling.

God met luiheid vereenzelvigen beschouw ik derhalve als niet minder dan een bêtise. In mijn belevingswereld is het godsbegrip zinnebeeld van onbeperkte creativiteit en ultieme moraliteit. De opdracht God na te volgen geldt vooral deze attributen. Zij zijn de tegenpool van luiheid.

Een leven krijgt, als gezegd, zin als er betekenis aan wordt gegeven. Betekenis bloeit op door het stellen van doelen en de inzet die te bereiken. Een mens kan de motor achter die inzet als immanent ervaren: de motor zit in mijzelf. „Ik wil in mijn leven meer dan een consument zijn.” Een andere mogelijkheid is de aandrijvende kracht te beleven als komend van buitenaf, vanuit een buitennatuurlijk bereik.

Ik verklaar mij nader.

De mens kent de behoefte het leven een verticale dimensie te geven; bij tijd en wijle te reiken voorbij de horizon, voorbij de waarneembare en meetbare wereld, voorbij de wereld van het causale denken. Hij wil reiken naar een wereld die metafysisch heet. Uit epidemiologisch onderzoek blijkt dat die behoefte en geneigdheid tot wat filosoof Bertus de Rijk ’omhoog denken’ noemt, bij een meerderheid der mensen voorkomt. Het is een normale component van het menselijke gedragsrepertoire. Net zo normaal als esthetische behoeften en net zo variabel in intensiteit. Het is in dit metafysische domein dat spirituele en religieuze behoeften hun oorsprong vinden en tot wasdom komen.

In dit domein worden krachten verondersteld en eventueel ervaren die invloed hebben op het persoonlijk leven en op dat van de maatschappij. Een richtinggevende invloed. Die krachten zijn ondefinieerbaar en rationeel niet te plaatsen. Je voelt ze intuïtief aan. Net zoals je voelt en weet dat je vriend vandaag langskomt. Of dat nu wel of niet gebeurt, het gevoel is er. Hoop is een voedingsbron voor dergelijke belevingen. Ook voor geloofsbelevingen. Geloof en hoop zijn overlappende belevingscategorieën.

De krachten waarom het hier gaat kunnen vaag, ongestructureerd en vrijblijvend zijn. Er ontwikkelt zich geen godsbeeld. Ik spreek dan van spiritualiteit. Het kan ook dat zij worden samengebald tot één omvattende, allesoverheersende kracht, genaamd God. God heeft verwachtingen en stelt eisen aan het individu: morele eisen, maatschappelijke eisen. Hieraan te voldoen is voor de gelovige mens zowel opdracht als bron van bevrediging. God is voor hem de ultieme zingever.

De drang tot zingeving kan dus als immanent óf als transcendent worden ervaren. De sterkte van die drang bepaalt in hoge mate in hoeverre een leven vervuld of verspild wordt.

Volgens Malevitsj plaveit luiheid de weg naar een zinvol bestaan en uiteindelijk naar een staat van intense tevredenheid. De ideale staat van luiheid zou worden bereikt als het universum geen geheimen meer oplevert. Met andere woorden, Malevitsj meent dat mét het toenemen van de kennis der natuur de behoefte aan zingeving zal verbleken.

In een essay vorig jaar in Letter & Geest formuleert filosoof Coen Simon die mening als vraag: „Zou de voortgang van de wetenschap uiteindelijk kunnen leiden tot een leven zonder zingeving? Als we immers weten hoe het bestaan in elkaar steekt, dan hoeven we niet langer mythische verhaaltjes te vertellen.”

Met die ’mythische verhaaltjes’ doelt hij kennelijk op elementen uit de religieuze wereldbeschouwing. Hij stelt dus de vraag of het geloven niet zal afnemen naarmate het weten toeneemt. Religieus geloof is dan een vulmiddel voor ontbrekende kennis. Dit is een gangbare opvatting onder atheïsten en tegenwoordig bijzonder populair onder (cognitieve) neurowetenschappers.

Simon beantwoordt de vraag ontkennend. Ik doe dat ook, maar op andere gronden. Simon meent dat de wetenschap nooit zover zal komen dat ’mythische verhaaltjes’ over de zin van het leven kunnen worden gemist. Ik meen dat de behoefte aan dergelijke verhalen zal blijven bestaan, ook in een (natuur)wetenschappelijk Utopia waarin alle aspecten van het leven in (natuur)wetenschappelijke termen kunnen worden uitgelegd.

Ik acht de behoefte aan zingeving een integraal bestanddeel van de menselijke natuur en het spiritueel/religieuze domein een rijke bron om die behoefte te bevredigen. ’Mythische verhaaltjes’ zijn geen tijdelijke vulmiddelen. Hun betekenis ligt binnen een geheel ander domein van menselijk existeren. Niet binnen dat van het weten, maar binnen dat van het geloven. Die mythische verhalen roepen het besef op dat het leven een kansspel is.

Er valt iets of zelfs veel van te maken, of je blijft met nieten zitten.

Het eerste argument voor mijn opvatting heb ik al aangestipt: de brede ontvankelijkheid voor spiritualiteit en religieuze ervaringen. Ook onder hardcore wetenschappers trouwens, biologen, fysici en mathematici – lieden die gewoonlijk niet geneigd zijn gaten met praatjes op te vullen. De behoefte is transcultureel en transintellectueel zo wijdverbreid dat onvervulde weetgierigheid geen plausibele verklaring is.

In de tweede plaats steunt biologisch onderzoek de opvatting dat spirituele en religieuze behoeften diep in de menselijke natuur verankerd liggen. Voor een deel zijn zij erfelijk en dus biologisch bepaald. Bovendien zijn we op het spoor van hersensystemen die aan spirituele en religieuze ontvankelijkheid gerelateerd zijn: hoe krachtiger die ontwikkeld zijn, des te uitgesprokener blijkt de ontvankelijkheid. Deze gegevens maken het onwaarschijnlijk dat de geneigdheid tot ’omhoog denken’ een tijdelijk, vooral cultureel bepaald fenomeen is.

Het derde argument is dit. In de psychiatrie kennen we het verschijnsel zindeficiëntie en zinverlies. „Ik weet niet meer waarvoor, voor wie en waartoe ik leef.” Het kan optreden bij depressies, bij stoornissen in de persoonlijkheidsstructuur en na een ernstig, onherstelbaar lijkend verlies, bijvoorbeeld van een dierbare, van aanzien, van psychisch of lichamelijk welzijn. Zindeficiëntie is geen onschuldig fenomeen waarmee best te leven valt. Er komt als het ware een grauwsluier om het leven te hangen. De betrokkene verliest uitzicht. En wie geen verwachtingen meer heeft, boet in aan levenslust, eventueel aan levenswil.

Zinverlies tast het fundament aan van een bestaan. Het leven verzandt. Zingeving daarentegen drijft een leven vooruit. Voor de mens die ’omhoog’ weet te denken fungeren de ’mythische verhaaltjes’ daarbij als krachtige bron. Zij zullen derhalve velen blijven inspireren en intrigeren. Tot in lengte van dagen.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />