*

 

Tarwestoppels door de sneeuw

Koos Dijksterhuis − 09/02/10, 00:00

We rijden door Noordoost-Friesland. Dorpen als Lioessens, Paesens, Oosternijkerk en Moddergat schudden sneeuw en ijzel van zich af, maar de landerijen zijn nog wit. Ik zit in de auto met Ben en Bauke van de Werkgroep Grauwe Kiekendief.

Zij brengen voor de provincie Friesland het akkerland in kaart. De provincie maakt werk van bescherming van akkervogels, om te voorkomen dat patrijzen en veldleeuweriken uitsterven. Bij de waddendijk liggen akkerlanden, waar het nog niet te laat is. Daar kunnen eenvoudige ingrepen akkervogels van de ondergang redden. Grazige akkerranden bijvoorbeeld, kruidenruigten en meidoornstruwelen. De jongens van de Werkgroep weten precies hoe en waar zulke ingrepen effect hebben, na twintig jaar ervaring in Groningen, Drenthe, Flevoland en Duitsland. Noordoost-Friesland is mooi, voor Nederlandse begrippen. Weliswaar zijn er vlakten Engels raaigras en zijn er ondergeploegde of platgespoten maïsvelden. Deze rioolputjes van de moderne landbouw zijn kansloos voor vogels, behalve kraaien. Er staan enorme, nieuwe boerderijen, een reuzenkoe van plastic waakt over het steriele erf. Maar er zijn nog veel relatief kleine akkerbouwbedrijven. Bieten, aardappelen en tarwe. We lopen langs een meidoornbosje naar een kronkelende beek met een rietkraag. Op de akker naast ons prikken tarwestoppels door de sneeuw. „Deze grazige strook langs de sloot is goed voor muizen”, zegt Bauke, „en dat ruige plukje kan een rustplaats voor patrijzen zijn.” „Prachtig”, vindt Ben, „zelfs een zomerdijkje, dit geef ik misschien wel een 1.” Dat is de hoogste score van 5. Ik zie het land door de ogen van Ben en Bauke. Zij bekijken het, zeggen ze, door de ogen van leeuwerik, kiekendief en patrijs. Akkervogels. Komende lente, als de leeuwerik zingt, gaan we nog eens.

mailIcon print |