*

 

Géén gefriemel in de dierengedragskliniek

Hinke Hamer − 11/02/10, 00:00

Voor dieren met gedragsproblemen is er sinds kort een kliniek in Utrecht. Indien nodig wordt daar ook het gedrag van het baasje bijgestuurd.

  • De bazin van Cola (in de reismand) en Ollie zit bij de dierenarts (m) en de gedragsbioloog. (Rob Huibers)

Het dierenziekenhuis in Utrecht is net een mensenziekenhuis. De patiënten zijn er hooguit hariger, minder mondig en ze hebben altijd begeleiding bij zich. De wachtkamer oogt klinisch, maar ruikt naar paard – hoewel hier geen paarden zijn.

Afgelopen november gingen hier de deuren open van de allereerste gedragskliniek voor dieren. Er werken drie dierenartsen, een psycholoog en twee gedragsbiologen. Katten, honden en een enkele papegaai komen er op consult. Vogels die hun eigen veren uittrekken, blaffende honden die wél bijten en sproeiende katten.

De gedragskliniek is onderdeel van de faculteit Diergeneeskunde aan de Universiteit Utrecht. Hier, op de afdeling Pathologie, lag ook olifant Annabel uit het Dierenpark Emmen op de snijtafel en kort geleden nog de kolossale kodiakbeer uit dezelfde dierentuin.

Over de gedragskliniek wordt wel eens lacherig gedaan, maar er wordt wel degelijk wetenschappelijk gewerkt. Hier geen katten op sofa’s of poedels die per handtasje worden aangevoerd. Bachbloesemtherapie komt er evenmin in, tot de wetenschappelijke basis ervan is bewezen. Ethologe Claudia Vinke, nuchter: „Ik ben niet van dat dierengefriemel. Kijken naar het beest, gewoon observeren, da’s het mooist.”

Dierenarts Valerie Jonckheer-Sheehy bereidt haar collega’s voor op de eerste cliënt van vandaag. Een jonge Belgische herder met een angststoornis. Uit angst wordt het beest agressief en rent het joggers en fietsers achterna. De kans dat het met de herder uit de hand loopt, is groot.

De staf zet zich schrap, maar haalt opgelucht adem als er een verlegen, gemuilkorfde hond de behandelkamer binnenschuifelt. „In december was u hier voor het laatst”, begint de co-assistente kordaat tegen de eigenaar van de herder. „Hoe is het sindsdien gegaan?”

De baas is tevreden.

„In het begin wat minder. Nu een stuk beter.”

„Oké.”

De herder laat het zich aanleunen. Hij lijkt in niks op de enge hond waarop de staf was voorbereid. Snuffelt wat aan de bontlaarzen van dierenarts Jonckheer-Sheehy, realiseert zich dat hij een muilkorf draagt en legt zich daarbij letterlijk neer.

Door zijn baas wordt de hond voor goed gedrag beloond met „kilo’s koekjes”. De muilkorf wordt ingesmeerd met paté om de herder erin te luizen en hem het ding om zijn neus te krijgen. Veel van wat de therapeuten binnen deze kliniek toepassen en voorschrijven is gebaseerd op principes van positieve en negatieve bekrachtiging.

Ook de medicijnen slaan aan, hoewel de herder last heeft van bijwerkingen: hij is moe en misselijk. „Onze hond is aan de Prozac”, grapt zijn baas. Ethologe Claudia Vinke legt uit dat medicatie nodig is om nieuw gedrag aan te leren. Een angstige hond leert niets.

„Wauw”, zegt Vinke. „We zijn trots op u.” Het had twee kanten op gekund met deze hond, licht ze later toe. „Deze kliniek is vaak een ’end-of-the-pipe’-mogelijkheid. Dieren komen hier in een eindstadium. Vaak zijn wij de laatste redding en is anders euthanasie onvermijdelijk.” Vanuit het hele land worden dieren naar de Utrechtse kliniek gestuurd, ook ’Natte Neuzen’-gezicht Martin Gaus verwijst honden ernaar door.

Er was behoefte aan een gedragskliniek, volgens Jonckheer-Sheehy. Ze werkte zeven jaar lang als dierenarts en kwam steeds meer gedragsproblemen tegen. „Mensen hebben steeds minder tijd en aandacht voor hun dier. Dit is een klein land, er is eenvoudigweg minder ruimte. Een hond die vroeger buiten kon rennen, is nu binnen.”

Ook het uiterlijk is voor veel mensen belangrijk. De bordercollie is eindeloos populair, maar dat is een schapendrijvershond die veel beweging nodig heeft. Als die op tweehoogachter terechtkomt zonder extra lichaamsbeweging, dan is het geen wonder dat hij gedragsproblemen ontwikkelt.

Zouden we tien jaar geleden in de lach schieten bij de gedachte dat ook een hond met ADHD gediagnosticeerd kon worden, inmiddels wordt de stoornis met regelmaat vastgesteld en is de term ingeburgerd. „Nu zijn we in staat ADHD-types te onderscheiden van dieren die simpelweg te weinig beweging krijgen”, licht Vinke toe.

In deze dierengedragskliniek worden dieren in de eerste plaats gedragsmatig onderzocht. Dit gaat gepaard met een kort medisch onderzoek om de meest voor de hand liggende medische aspecten die het gedrag zouden kunnen beïnvloeden uit te sluiten.

Als daar aanleiding voor is worden uitgebreidere medische onderzoeken geadviseerd. Soms gaat een dier door de MRI-scanner of wordt het doorverwezen naar een specialist.

Niet alleen het dierengedrag, ook het gedrag van baasjes dient vaak te worden bijgestuurd. Zoals gedragsproblemen bij kinderen soms te wijten zijn aan de opvoeding, kunnen ook eigenaren debet zijn aan het gedrag van moeilijk opvoedbare huisdieren. Zo wordt het wel eens een emotionele bijeenkomst, als voor een baasje blijkt dat hij deels zelf verantwoordelijk is voor onaangepast dierengedrag.

Als je je ogen dichtdoet en je oren openhoudt, zou je niet vermoeden dat het in de Dierengedragskliniek over dieren gaat. Het is een gezellige antropomorfistische bedoening, de psychologische termen vliegen je om de oren. De bazin van de volgende cliënten, de colabruine bastaardkat Cola en de Russische blauwhaar Ollie, heeft het al helemaal uitgedacht.

„Cola is gedumpt toen ze een week oud was, ze heeft nooit een moeder gehad. Ze is opgegroeid in een pleeggezin, hè. Dan raak je verkeerd voorgeprogrammeerd. Ze pakt heel veel signalen niet op.”

Maar Cola is het probleem niet. Dat is Ollie. Sinds een stel katers via het kattenluikje haar territorium binnentrad, sproeit Ollie waar ze maar kan. Haar bazin heeft al van alles geprobeerd om het grijze katje richting kattenbak te dirigeren, maar tot nu toe zonder resultaat. De therapeuten hebben Ollie’s bazin de opdracht gegeven haar gedrag te filmen en in een dagboekje bij te houden wanneer en waar Ollie sproeit.

Deze bazin, een jonge, stevige vrouw met blond haar tot op haar billen, overhandigt een notitieblokje met uitgebreide schematische aantekeningen – ze moet er een dagtaak aan hebben gehad. Gelukkig sproeit het katje niet meer op het aanrecht zoals voorheen, maar uit de gedetailleerde plaats- en tijdbeschrijvingen op te maken wel op andere plekken.

De kattenmoeder heeft een filmpje gemaakt van de interactie tussen Cola en Ollie. Katten in de keuken, katten op schoot, likkende katten, spelende katten. Gezamenlijk kijken deskundigen en baasje terug hoe beide beesten zich ten opzichte van elkaar gedragen.

Allerhande praktische oplossingen worden aangedragen om de katten zo op elkaar af te stemmen dat Ollie ophoudt met sproeien: tuinaarde in de kattenbak, de eetbakjes apart van elkaar in de kamer neerzetten en de ramen afplakken, om te voorkomen dat de dameskatten teveel worden afgeleid door opgewonden katers.

Tevreden schuift het baasje haar twee katten terug in de reismandjes en keert ze huiswaarts. De nieuwe handreikingen bieden hoop. Ze ziet ernaar uit om thuis de gordijnen weer te kunnen ophangen.

mailIcon print |