*

 

Dus lopen meisjes kans besneden te worden

Elma Drayer − 04/02/10, 00:00

opinie Afgelopen weekend, las ik in de krant, was er weer eens een congres over vrouwelijke genitale verminking.

Afrikaanse vrouwen vertelden hoe gruwelijk de ingreep is, deskundigen meldden dat ook in Nederland opgroeiende meisjes het gevaar lopen, en een arts in spe betoogde dat de vertrouwensrelatie met de ouders boven alles gaat. „Ik ben resoluut tegen straffen wanneer er een andere cultuur in het spel is”, zei hij. „Met wederzijds begrip kun je volgens mij beter tot gedragsverandering komen.”

Ofwel: als u probeert te begrijpen waarom ik in de geslachtsdelen van mijn dochtertje laat snijden, dan probeer ik te begrijpen waarom u dat verwerpelijk vindt.

Sinds begin jaren negentig doordrong dat meisjesbesnijdenis ook in Nederland voorkomt, zagen talloze studies het licht, zijn talloze projecten opgezet, en werden er vele miljoenen gespendeerd aan de bestrijding ervan. Desondanks blijken er dus nog steeds landgenoten te zijn die in alle ernst menen dat we het fenomeen ’met wederzijds begrip’ tegemoet moeten treden.

Is dat raar? Eigenlijk niet.

Want formeel mag de daad hier als strafbaar gelden, in de praktijk ligt het accent vooral op ’voorlichting’ en ’preventie’. Breed leeft de gedachte dat je ouders maar afschrikt als je ze al te onomwonden laat weten dat hun een straf boven het hoofd hangt.

In 2005 lag er een gouden kans om aan deze misplaatste bedeesdheid voorgoed een einde te maken. De commissie-Sanders van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg kwam met een even doortimmerd als kordaat adviesrapport.

Ook zij vond voorlichting en preventie noodzakelijk, maar ze wilde tevens af van de vrijblijvendheid. Zo wenste ze een meldplicht voor gezondheidswerkers. Daarnaast stelde de commissie voor om de jeugdgezondheidszorg de genitaliën van álle schoolgaande kinderen – dus ook de lelieblanke – op hun zesde, negende en dertiende jaar uitwendig te laten controleren. (Bijkomend voordeel: op deze manier zouden ook andere vormen van mishandeling en seksueel geweld sneller aan het licht kunnen komen.) En ze adviseerde om eindelijk ernst te maken met strafrechtelijke vervolging. Genitale verminking zou niet langer impliciet, maar expliciet moeten worden opgenomen in de wetsartikelen tegen mishandeling. Zo zou er een ’heldere, afgebakende norm’ ontstaan en zouden ouders zich minder makkelijk kunnen beroepen op onwetendheid.

Het klonk te voortvarend om waar te zijn. En inderdaad, het toenmalige kabinet legde deze aanbevelingen uit het advies losjes naast zich neer. Andere maatregelen, liet het de Kamer weten, ’bieden voldoende soelaas’. Het rapport van de commissie-Sanders verdween in een diepe Haagse ladenkast.

En dus is de ’meldingsbereidheid’ bij hulpverleners anno 2010 nog steeds minimaal. En dus lopen nog steeds jaarlijks tientallen meisjes – niemand weet precies hoeveel – uit de zogeheten ’risicolanden’ gerede kans dat ze op een dag besneden zullen worden. En dus is hier, anders dan in bijvoorbeeld Frankrijk, nog nooit iemand voor het misdrijf veroordeeld.

Het huidige kabinet, het moet gezegd, doet zijn best. Staatssecretaris Jet Bussemaker is actiever op dit terrein dan al haar voorgangers bij elkaar. Zo kondigde ze in november aan dat ze een Frans idee overneemt: ouders uit ’risicolanden’ wordt voortaan gevraagd een Verklaring tegen Meisjesbesnijdenis te ondertekenen voordat ze op reis gaan. En minister Ernst Hirsch Ballin van justitie schreef de Kamer op 8 januari dat zijn ambtenaren in hetzelfde Frankrijk ’op dit moment’ onderzoeken hoe ze het daar toch voor elkaar krijgen, dat opsporen en vervolgen.

Heel sympathiek. Maar misschien moeten de bewindslieden gewoon eens neuzen in die ladenkast.

mailIcon print |