Wie Koos Dijksterhuis’ natuurdagboek in Trouw een beetje bijhoudt, is vast al eens drieteenstrandlopers tegengekomen. Drie jaar lang volgde Dijksterhuis de vogels én onderzoeker Jeroen Reneerkens. Op Vlieland, op Groenland en in Afrikaanse waddengebieden. Vandaag verschijnt het reisverslag van Dijksterhuis in boekvorm: Een Groenlander in Afrika.
Ooit studeerde Koos Dijksterhuis biologie, maar verder dan het eerste jaar is hij niet gekomen. Sociologie heeft hij wel afgemaakt en daarna ging hij ook even als ontwikkelingswerker aan de slag, in Pakistan. Maar eigenlijk is Dijksterhuis (47) vooral schrijver. Van populair-wetenschappelijke artikelen en van gedichten, het één wat serieuzer dan het andere. „Schrijven vind ik het leukste dat er is en verder kan ik eigenlijk niet zo veel,” vertelt hij onderweg naar Schiermonnikoog. Want als het dan toch over drietenen gaat, dan wil hij ze graag laten zien.
Elke dag een stukje in de krant, is geen straf. „Ik mag graag over dieren en planten vertellen en kan er mooi mijn ei kwijt.” Vaak zit er een mening in. Dan bekritiseert hij het landbouwbeleid dat het platteland laat verkommeren en lelijke schuren toestaat. Of hij roemt juist akkerbouwers die goed bezig zijn en bijvoorbeeld kiekendieven helpen overleven.
Nooit eerder heeft hij drie jaar besteed aan één vogelsoort. Dijksterhuis: „Ik ben vrij wispelturig, meestal niet heel lang met één onderwerp bezig.”
Het begon met een paar artikelen die hij schreef over het promotieonderzoek van Jeroen Reneerkens, naar de geurloze was die bij kanoetstrandlopers uit de stuitklier komt. Daarmee camoufleren de vogels zich tegen roofdieren. Toen de onderzoeker weer eens op het punt stond af te reizen naar Mauretanië greep Dijksterhuis zijn kans.
„Daar ligt de Banc d’Arguin, een soort waddenparadijs waar miljoenen trekvogels overwinteren. Er wordt veel vogelonderzoek gedaan. Een groepje Groninger biologen voer er in de jaren tachtig zelfs met een oude kotter heen. Ze gingen voor anker en hebben wekenlang vogelsoorten geteld. Journalist Koos van Zomeren heeft er over geschreven voor Nieuwe Revu, dus ik vroeg aan de jongens: ’is het niet eens tijd dat er weer een Koos mee gaat?’ Waarop Jeroen voorstelde een boek over de drieteenstrandloper te maken.”
Er zijn al veel studies gedaan naar steltlopers als kanoet en rosse grutto, maar de drieteen was nog een blinde vlek, zegt Dijksterhuis. „Het is heel boeiend om van één zo’n beest alles in kaart te brengen. Met een specialisme kun je de diepte in. Maar ik wilde ook laten zien hoe leuk veldonderzoek is. Die wetenschappers bezitten een nieuwsgierigheid die nooit ophoudt.”
Dijksterhuis spreekt met genegenheid over de drieteen. Hij heeft eens een groepje zien kleumen op het strand, achter een hoopje zeewier van nog geen tien centimeter hoog. Het mooist vindt hij nog de voetafdrukjes, als ze zijn gevlogen. Steeds drie tenen in het zand: andere strandlopers hebben nog een vierde teen, die naar achteren wijst.
Koddig, vindt Dijksterhuis ze. En gezellige beesten. „Vaak loop ik helemaal naar de oostpunt van Schier, dan struinen die vogeltjes het hele eind met me mee.” In Ghana heeft hij ze in groepen van 400 de branding zien volgen, op zoek naar wormen en schelpdieren. „Al die vogeltjes gaan dan met de golven heen en weer, als één grote machine.”
Dankzij het ringen –en dankzij actieve vogelkijkers die de gegevens aflezen– kunnen de onderzoekers soms een complete trektocht in kaart brengen. Koos Dijksterhuis: „We deden spectaculaire ontdekkingen. Zo bleek een drieteen in vijf dagen tijd van Noorwegen naar een palmenstrand in Ghana te vliegen. Zesduizend kilometer! Volgens Jeroen kan dat alleen als zo’n beestjes dwars over de Sahara vliegt, zonder één rustpauze. Gemiddeld vijftig kilometer per uur!”
Door de unieke kleurringen weten ze ook wie het met wie doet en hoe trouw drieteenstrandlopers zijn. „Ze flierefluiten wat af op cupidaal gebied”, concludeert Dijksterhuis in zijn boek. Soms wachten ze in het broedgebied een paar dagen op elkaar, maar meestal kiezen ze een andere partner. Drietenen worden gemiddeld nog geen vijf jaar oud, zo is de verklaring. De kans dat hun geliefde dood is, is te groot om te wachten.
Wel zijn ze hondstrouw aan hun territorium. Meer dan de helft van de geringde mannetjes broedde een volgend seizoen nog geen vijfhonderd meter van het oude nest, zo ontdekten ze op Groenland.
Dijksterhuis: „Je ziet echt verrassende dingen. Waarom kiest de drieteen voor zo’n extreem noordelijke broedplaats? Mag het ook iets minder, denk je dan. Maar die omgeving is rustig en steriel en het barst er zomers van de voedzame langpootmuggen.” Overigens zijn er wel poolvossen die eitjes vreten, of muskusossen die ze plattrappen: regelmatig is de wereldreis van een ouderpaar voor niets geweest.
Is een broedpoging wel gelukt, dan vliegen ouders vaak eerder naar het zuiden dan hun jongen, vertelt Dijksterhuis. „Hoe kan het dat ze toch op dezelfde plek arriveren? Waarschijnlijk hebben ze een aangeboren richtingsgevoel, oriënteren ze zich op de kustlijn, op de zon, maan en sterren en op het aardmagnetisch veld. Hoe het precies werkt, blijft een mysterie.”
In die zin heeft ’Een Groenlander in Afrika’ een open einde. Dijksterhuis: „Dat is het mooie van dit soort onderzoek. Naarmate er meer bekend wordt, komen er ook meer vragen.”
Wel heeft hun onderzoek een einde gemaakt aan een hardnekkig verhaal over dubbele legsels bij drietenen. Vrouwtjes en mannetjes zouden elk een eigen nest onder de hoede nemen en zo tegelijk twee nesten uitbroeden. Reneerkens heeft er geen bewijzen van gevonden. Regelmatig nemen drietenen in hun eentje een nest voor hun rekening, zowel mannetjes als vrouwtjes, maar simultaan broeden was er niet bij. Dijksterhuis: „Een mythe doorprikken vind ik haast even opzienbarend als er een bevestigen.”
Op Schier zijn altijd wel drietenen te vinden, heeft Dijksterhuis beloofd. Maar helaas blijken de beestjes kleiner dan spreeuwen. Bovendien is het eb en zitten ze op afgelegen zandplaten. Met zijn telescoop weet Dijksterhuis er ternauwernood drie te vinden.
Gelukkig is Schier ook mooi zonder de drietenen. Dijksterhuis ziet elke eidereend die voorbijzwemt en in het zand onderscheidt hij zaagjes, nonnetjes en alikruiken. De kokkel heet ook wel hartschelp, wijst hij. Op zijn zij lijkt het net een hartje.
De wind is ijzig koud, het strand ligt nog vol ijs. Maar Dijksterhuis is wel wat gewend. En hij heeft thermisch ondergoed aan, bekent hij. Nog van Groenland. Afgelopen drie zomers is hij er geweest, in juni en juli.
„Wat wij kennen als drie seizoenen wordt op Groenland in die twee maanden afgewerkt. Je treft sneeuw en ijs, maar ook toendrabloemen en dwergwilgjes van een paar centimeter hoog, met katjes. Al te romantische beelden drukt Dijksterhuis meteen de kop in: „Onderzoekers gaan naar interessante oorden, maar meestal komen ze niet verder dan honderd meter van de onderzoeksplek.”
Ze verbleven in barakken, verstoken van e-mail en telefoon. Met als enige afleiding een spelletje Triviant, filmavondjes en de verhalen van andere onderzoekers, zoals een Deense vossenexpert, Oostenrijkse botanici, of een in sluipwespen gespecialiseerde Fin.
Dijksterhuis heeft met plezier meegeholpen met het vogelonderzoek, de nachtelijke vangsten in koud water, vergeefse zoektochten naar de minuscule nesten. Eindeloos heeft hij etiketjes geplakt nadat Reneerkens de drietenen bloed of uitstrijkjes afnam. Ook verzamelde hij vogelpoepjes om het strandloperdieet te ontrafelen. „Met dat vangen en ringen ben ik eerlijk gezegd niet zo handig,” bekent hij. „Ik ben ook veel te bang dat ik die beestjes beschadig.”
Sowieso blijft Dijksterhuis in zijn rol van verslaggever. In het boek gaat het net zo goed over moeilijke chauffeurs, lastige muggen en ronkende slaapkamergenoten. Of over de vele plastic zakjes die Afrika vervuilen.
Het vogelonderzoek wordt ook enigszins genuanceerd door het verhaal van Edward, een jonge Ghanees, die wil promoveren, maar niet erg gepassioneerd is voor het veldwerk. Als Dijksterhuis doorvraagt blijkt Edward vooral geïnteresseerd in een doctorstitel, zodat hij naar huis kan terugkeren en een betrekking vinden. De man schreef zijn scriptie over goudmijnen waarvoor Ghanese akkers tijdelijk onteigend worden. Als er geen goud gevonden wordt, krijgen de akkerbouwers hun grond terug, maar dan is de grond zo verslechterd dat er nauwelijks nog op valt te boeren. Dat zijn serieuze problemen in Ghana. Edward kan thuis niet uitleggen dat hij elke dag kleurringetjes moet aflezen.
Toch staat het belang van het vogelonderzoek wat Dijksterhuis betreft buiten kijf. Onderzoek naar de kanoetstrandloper en zijn eetpatroon, bracht het verwoestende effect van de schelpdiervisserij op de wadbodem en het vogelleven aan het licht, zo meldt het boek. „Dat vogels minder kans hebben te overleven als je hun voedsel weghaalt, lijkt een open deur. Maar zolang het niet bewezen was, ontkenden de schelpdiervissers het. En liet het ministerie van Landbouw hen de Waddenzee leegvissen.”
Maar goed, Dijksterhuis wil niet negatief doen. „We hadden het over de drieteen en eigenlijk gaat het daar best goed mee.”
Vanmiddag wordt het boek ingewijd met een strandwandeling en een borrel in Noordwijk. Daar is onlangs een strandloper met kleurringen gesignaleerd, weet Dijksterhuis. „Een drieteen die wij afgelopen juni nog als kuiken in Groenland hebben geringd. Het idee dat ik zo’n beestje hier weer tegenkom!”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.