Regisseur Kusej vervangt de burgerlijkheid van Wagners tijd prachtig door de hedendaagse burgerlijkheid van spa’s en cruiseschepen.
Nederlands Philharmonisch Orkest, Koor van De Nederlandse Opera en solisten olv Hartmut Haenchen met ’Der fliegende Hollünder’ van Wagner in een regie van Martin Kusej op 1/2 in Muziektheater Amsterdam. Nog t/m 28/2; via Radio 4 op 27/2.
Als Hartmut Haenchen en het Nederlands Philharmonisch Orkest bij de laatste maten van de ouverture uitkomen, gaat het voordoek op en ligt er een vis te spartelen op het droge. Zo begon Wagners ’Der fliegende Hollünder’ maandagavond bij De Nederlandse Opera in de ontnuchterende, steeds dreigender regie van Martin Kusej.
Mooi, die ouverture, prachtig zelfs. Mooi ook die vis, symbool voor het elke zeven jaar spartelend aan wal gaan van de verdoemde Hollander. Maar, zo blijkt later, ook een beeld dat past bij bootvluchtelingen die wanhopig naar een betere thuishaven op zoek zijn.
In het Muziektheater meert het (onzichtbare) cruiseschip van kapitein Daland in hevige storm net op tijd aan bij de luxe passengersterminal. Water stuift achter de glazen deuren, de passagiers en bemanningsleden stormen reddeloos met bagage en zwemvest de terminal in. Dan gaat ook het (onzichtbare) spookschip van de Hollander voor anker en achter de glazen deuren doemen dreigende hooligantypes op, de capuchon over het hoofd getrokken. Spannend.
Als de storm, en de paniekerige mensen zijn gaan liggen, is daar ineens de Hollander om de monoloog over zijn lot en verdoemenis te zingen. De Finse bas-bariton Juha Uusitalo deed dat indrukwekkend; een stem als een donderwolk met een zijdezacht randje. Deze immense prestatie werd wonderbaarlijk dynamisch geschraagd door het fantastisch spelende NedPhO onder leiding van de ontketende Haenchen. Ook het Koor van de Nederlandse Opera heeft een indrukwekkend aandeel op deze avond.
Kusej situeert het huiselijke leven van Senta, het meisje dat zich voor de Hollander wil opofferen, in een luxueuze spa. Prachtig hoe hij de burgerlijkheid uit Wagners tijd vervangt door een hedendaagse burgerlijkheid van spa’s en cruiseschepen.
Weer zijn daar die glazen deuren en weer, nog akeliger, zijn daar de capuchons. Opgejaagd werpen ze zich bloedend tegen de deuren; schiet Erik, Senta’s verloofde, ze neer?
Aan het slot kantelt plots het perspectief en kijken we met de ’bootvluchtelingen’ naar de toeristen, die achter de hekken ineens Hoek van Holland-hooligans worden. Dankzij Haenchen, orkest en koor is dit werkelijk een machtige scène! Als daarna blijkt dat de wanhopig naar de dood verlangende Hollander (’Nirgends ein Grab! Niemals der Tod!) gewoon met een geweerschot omgelegd kan worden, is dat haast lachwekkend eenvoudig. Maar Kusej’s productie komt desondanks aan.
Naast Uusitalo maakt de edele en fijnzinnige sopraan Catherine Naglestad buitengewoon veel indruk als Senta. Het duet tussen de twee is mede dankzij Haenchen van een zeldzaam schone opbouw en uitvoering. Alles krijgt trouwens vleugels dankzij de Duitse Hollander Haenchen. De voormalig chef-dirigent van het NedPhO en DNO, na drie jaar terug, brengt naast een duidelijke keuze voor de 1860-versie van de partituur wederom een gigantisch opwindende muzikale interpretatie mee. Op ’Lohengrin’ na heeft Haenchen nu alle tien grote Wagner-opera’s in Amsterdam gedirigeerd en zodoende een hele generatie opgevoed. Die unieke Wagner-weelde zal als een mijlpaal de geschiedenis van DNO ingaan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.