Er is alle reden om klimaatexperts kritisch te volgen. Het is een jonge discipline, met ingewikkelde materie. En er gaat absurd veel geld in om.
Er moet beter geluisterd worden naar critici van het klimaatbeleid, schreef Jan Boersema, hoogleraar milieukunde aan de VU, afgelopen zaterdag in Trouw en noemde mij en Leon de Winter als voorbeelden van ’serieuze critici’.
Misschien is het in wellicht de meest linkse en misschien ook de meest groene krant van Nederland nuttig om uit te leggen waarom iemand die ooit als eerste lichting colleges milieuchemie volgde en zelfs een blauwe maandag groen was (lid van Milieudefensie en Natuurmonumenten) al sinds 1988 kritische kanttekeningen plaatst bij de klimaatwetenschap en het klimaatbeleid.
In de loop van de jaren tachtig ontdekte ik, als chemicus enigszins vertrouwd met concentraties, dat lucht- en watervervuiling in Nederland spectaculair afnamen. Ik dacht dat milieuwetenschappers en de milieubeweging kuitenflikkers zouden maken.
Maar nee, ze bleven even zuur en gaven geen bekendheid aan dit heuglijke nieuws. Zelfs brave instituties als het RIVM juichten in hun rapporten nooit: hoera, we zitten nu op tien procent van de vervuiling uit de jaren zeventig. Hoe dit komt, heb ik uitgebreid beschreven in mijn ’Het grote goed nieuws boek’.
Laat me hier volstaan met de conclusie: veel mensen en instituties hebben er belang bij om de druk op de milieuketel te houden.
Ik heb dat wantrouwen meegenomen naar de klimaatdiscussie. Het werd nog versterkt doordat ik mij in de loop van mijn 35-jarige carrière ben gaan realiseren dat dit misschien wel de belangrijkste maatschappelijke taak is van een wetenschapsjournalist. Niet doorgeefluik zijn maar altijd kritisch blijven, zelfs over wetenschap.
Niet elke wetenschap is immers even rijp. Je kunt van een jonge discipline minder verwachten dan van een eeuwenoud vak. Sommige disciplines worden opgezadeld met vragen die hun spankracht te boven gaan. Dan is er het onderscheid tussen gebieden die meer en minder gepolitiseerd zijn en disciplines waar veel en weinig geld omgaat.
De klimaatwetenschap is een kruispunt van verstorende invloeden. Jonge wetenschap, te ingewikkeld onderwerp, sterk gepolitiseerd (links is voor klimaatbeleid, rechts tegen), absurd veel geld en een sterke neiging tot groepsdenken (paradigma’s zoals Thomas Kuhn het noemde). Dat alles speelt zich ook nog eens af onder een gigantisch groen vergrootglas.
Daarom geloof ik ook niet dat de recente reeks schandalen en schandaaltjes slechts krassen zijn op de lak van het IPCC. Neem de gletsjers van de Himalaya. Dat gaat om meer dan een tikfout: oeps, het had geen 2035 maar 2350 moeten zijn. Het IPCC heeft op eigen gezag aan deze claim, die via het Wereldnatuurfonds uit de New Scientist bleek te komen, de voorspelling toegevoegd dat hij voor meer dan 90 procent betrouwbaar was. Een van de betrokken auteurs heeft toegegeven dat daar politieke bedoelingen achter zaten: opdat het gewenste beleid eerder tot stand kwam.
Er zitten ernstige systeemfouten in de klimaatwetenschap. Er is een sterke vervlechting met de milieubeweging: die schrijft mee aan de IPCC-aanbevelingen voor het beleid, die vervolgens worden overgenomen door een milieuminister die uit de milieubeweging voort komt, waarna vervolgens de milieubeweging weer profiteert van het beleid. Het IPCC-rapport geeft zelf aan dat de onderzoekers van alle factoren die het klimaat beïnvloeden eigenlijk alleen het versterkte broeikaseffect (de rol van de mens dus) goed begrijpen. Van andere zaken zoals de rol van de zon geven de onderzoekers toe geen kaas te hebben gegeten. Voor wie er meer over wil weten, deze week heeft Elsevier er weer een uitgebreid verhaal over.
Nog even voor alle duidelijkheid, ik beweer niet dat de mens geen effect op het klimaat heeft. Ik denk wel dat de klimaatwetenschap ons onvoldoende houvast biedt om te geloven dat die invloed groot is. De dames en heren weten er gewoonweg niet genoeg van.
Voor het beleid lijkt dit niet veel uit te maken, zoals Jan Boersema zaterdag aan het eind van zijn opiniestuk suggereerde. Ook ik weet dat fossiele energie eindig is. Toch is er een cruciaal verschil. Wanneer je denkt dat de wereld morgen vergaat, kom je in de verleiding om vandaag al grote hoeveelheden geld uit te geven aan volslagen onzinnige projecten. Wanneer je je daarentegen zorgen maakt over de eindige aardolie, heb je nog wel enkele decennia om met een koel hoofd aan alternatieven te rekenen en tevens uit te zoeken hoe het nu echt met het klimaat zit.
Tenslotte, een van de vreemdste uitspraken in het klimaatdebat is die van minister Jacqueline Cramer van milieu: de politiek moet blind kunnen varen op de wetenschap. Je moet nooit blind willen varen. Al helemaal niet op adviezen van de klimaatwetenschap.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.