Waarom besluit iemand raadslid te worden? Voor de gemiddelde burger wiens interesse in gemeentelijke politiek vaak niet verder reikt dan de hondenpoep op straat, of de hoogte van de onroerendgoedbelasting, zal de vraag vermoedelijk worst wezen.
Een enkele keer dringt het tot hem door dat er ook ingewikkelde zaken aan de orde zijn, zoals de bijzondere bijstand, de organisatie van de zorg, de aanpak van hangjongeren, of bouwprojecten. Maar het ontgaat hem veelal wat een raadslid daaraan toe of af kan doen. En dus lijkt de wens voor het raadslidmaatschap vooral te zijn ingegeven door een mengeling van ijdelheid, gewichtigdoenerij en persoonlijk belang.
Deze marginalisering van van het raadslid wordt versterkt door de onbedaarlijke neiging van media en landelijke politici de raadsverkiezingen op te vatten als een testcase voor de nationale politieke krachtsverhoudingen. Hoe doen Bos of Balkenende het? Interessante vraag natuurlijk en dus doen beide heren –of hun vazallen– hun uiterste best om aan te tonen dat er met hen niet te spotten valt. Maar met de prestaties van de plaatselijke PvdA-wethouder of CDA-lijsttrekker heeft dat spierballenvertoon weinig van doen. Desondanks zijn veel burgers stom genoeg om hen daarop in alle eenvoud af te rekenen.
De positie van het raadslid staat verder onder druk van een indrukwekkende bureaucratie, die tot overmaat van ramp ook nog stevig vastgeklonken zit aan een oerwoud van landelijk vastgestelde richtlijnen. Die bureaucratie denkt in termen van projecten, van werk in uitvoering en van management, zoals je een bedrijf runt. Op zijn gunstigst gunt zij raadsleden de rol van toezichthouder, maar meestal krijgen ze te horen dat ze er weer niets van begrepen hebben en ze hun huiswerk over moeten doen. Dat een raadslid er ook nog zit als vormgever van de gemeenschap, komt in het hoofd van de gemiddelde bureaucraat niet op.
Deze trend vindt zijn bekroning in de visie van de overheid als dienstverlenend bedrijf, met de burger in de rol van consument. Een kieskeurige consument wel te verstaan, die begint piepen zodra hem iets niet bevalt. En zoals uit de enquête van Trouw onder raadsleden bleek: het zijn vaak de piepers die het pleit beslechten. Zij bewerkstelligen vaak met succes de aanleg van verkeersdrempels, of het kappen van overlast gevende bomen, waartegen vervolgens de rest van de buurt tevergeefs te hoop loopt. Kortom, zowel vanuit het perspectief van media en politiek, als dat van de bureaucratie en zelfs dat van de burger doet het raadslid er niet toe of doet hij het niet goed.
Des te groter mijn bewondering voor al die vrouwen en mannen die zich desondanks voor de raadsverkiezingen beschikbaar hebben gesteld. Zij kennen de vooroordelen. Zij weten dat nationale politici letterlijk en figuurlijk over hen heen walsen, dat de bureaucratie in hen vooral een hindermacht ziet en de burger geen al te hoge pet van hen op heeft. Ze weten ook dat het hen veel tijd gaat kosten, zonder dat daar een substantiĆ«le vergoeding tegenover staat. En toch tekenen ze voor deze ’fascinerende hondenbaan’. Waarom eigenlijk?
De burger zit raadsleden in de weg. Zo vatte Trouw maandag haar bevindingen over het werk van raadsleden samen. Dat klinkt negatief. Maar uit de enquête bleek ook dat het om een bepaald soort burgers gaat, burgers die niet verder kijken dan hun neus lang is. Raadsleden daarentegen, zo bleek, zijn burgers die de blik richten op het algemeen belang, die beseffen dat burgers zonder zo’n oriĆ«ntatie zijn overgeleverd aan een burgeroorlog. Iets of iemand zal daarom de boel bij elkaar moeten houden. En bij gebrek aan beter is dat altijd nog het ten onrechte zo verguisde raadslid. Daarom, raadsleden, werp de ketens van vooroordelen van u af. Durf een uitverkozene te zijn.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.