*

 

Geen enthousiasme voor nieuwe norm hulp

Han Koch − 02/02/10, 00:00

Hoeveel is het ons waard om bij te dragen aan de mondiale ontwikkeling? De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid pleit voor een nieuwe norm.

Hoe heilig is de norm van 0,7 procent van het bruto nationaal product die besteed moet worden aan ontwikkelingshulp? Heilig, roepen de ontwikkelingsorganisaties in koor. Geen sprake van, vinden politieke partijen VVD en PVV, en bij de werkgeversorganisaties klinkt een vergelijkbare mening.

Het twee weken geleden gepubliceerde rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), met als titel ’Minder pretenties, meer ambities’, leidde tot de gebruikelijke reacties.

Minister Bert Koenders (ontwikkelingsamenwerking) houdt vooralsnog vast aan de norm. De tegenstanders lazen geheel ten onrechte in het rapport van de WRR dat de raad de norm wenste te laten verdwijnen.

De belangrijkste vraag die de WRR stelde, is of de grondslag voor de norm nog wel adequaat is. Toen de norm door de leden van de club van rijke landen (Oeso) in 1970 werd afgesproken, lagen daar econometrische studies aan ten grondslag. De spaar- en investeringstekorten van de ontwikkelingslanden, veelal voormalige koloniën van de Oeso-leden, werden becijferd op 10 miljard dollar per jaar. Dat kwam neer op 1 procent van het nationale inkomen van de rijke landen.

Omdat de Verenigde Naties er van uitgingen dat landen driekwart van de hulp zouden moeten bekostigen, de zogeheten bilaterale hulp, werd 0,7 als bijdrage vastgesteld. Die grondslag is de laatste decennia niet bijgesteld, al heeft de norm wel een geheel andere lading gekregen. Niet de behoefte in de ontwikkelingslanden bepaalt nu het percentage aan hulp, maar de bereidheid van rijkere landen om bij te dragen aan de ontwikkeling van samenlevingen buiten het eigen staatsrechtelijk territorium.

De norm is vooral gaan werken als een maatstaf voor een eerlijke lastenverdeling. Wie minder betaalt dan landen die de norm wel halen, zoals Noorwegen, Zweden, Denemarken, Luxemburg en Nederland, verzaakt en moet bij de les worden gehaald. Wie nu de 0,7 procent norm wenst te schrappen teneinde de nationale begroting op orde te brengen, haalt tegelijkertijd dit mechanisme van mondiale lastenverdeling onderuit. En in een tijd waarin de wereldgemeenschap zeer moeilijk internationale verdragen sluit – zie de slepende discussies over klimaatverdragen en wereldhandelsakkoorden – is het niet echt handig om die spaarzame verdeelsleutels voor de mondiale lasten overboord te gooien.

De 0,7 norm heeft inmiddels een betekenis gekregen die verder reikt dan het bedrag dat er mee gemoeid is. Achter het percentage gaat mondiale solidariteit schuil. Voor rampen wordt die solidariteit makkelijk opgebracht. De snelle reacties op de tsunami en de aardbeving op Haïti zijn daar voorbeelden van. Structurele onderontwikkeling heeft dat effect blijkbaar niet. Achtereenvolgende presidenten van de Wereldbank hebben altijd geroepen dat armoede een sluipende, stille ramp is, maar die gedachte is gelet op de altijd opduikende discussie over de 0,7 norm nooit gemeengoed geworden.

De discussies in het Nederlandse parlement hebben een vast patroon. In het ene kamp zitten de voorstanders die wijzen op de morele plicht om rijkdom te delen, in het andere kamp bevinden zich de tegenstanders die wijzen op verkwisting. De WRR heeft zich bij geen van de partijen willen aansluiten. Ja, de norm is aan vernieuwing toe, zegt de WRR. De huidige praktijk gaat te veel uit van het idee dat ontwikkelingshulp een geïsoleerd onderwerp is geworden. De raad ziet liever dat een nieuwe internationale norm in het leven wordt geroepen waarin niet alleen de hulp is opgenomen, maar ook de inzet op het terrein van mondiale publieke goederen, zoals schone lucht, water, veiligheid, voedselzekerheid en bestrijding van ziekten. Of dit idee in een vruchtbare bodem valt, is zeer de vraag. De eerste reacties zijn niet hoopgevend.

mailIcon print |