*

 

Help arme vissers: hou de dieven weg

Pavel Klinckhamers, mariene bioloog en campagneleider oceanen bij Greenpeace Nederland − 28/01/10, 00:00

Zelfredzaamheid voor arme landen is mooi, maar dan moeten de rijke landen niet hun wateren leegvissen.

Geef een arme geen vis, maar leer hem vissen. Dat adagium is weer actueel met het advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid om ontwikkelingslanden zelfredzamer te maken. Maar dan moet er voor de lokale bevolking wel wat te vissen overblijven. Want, met financiële steun van de Nederlandse overheid vissen Nederlandse trawlers de wateren rond arme landen leeg.

In twee dagen tijd haalt een moderne vistrawler een hoeveelheid vis uit zee waar de vloot van een van de visserij afhankelijke eilandstaat als Niue in de Grote Oceaan een heel jaar over doet. Door de voortdurende extra visserijdruk lopen de visvangsten van de Polynesiërs onherroepelijk terug.

De westerse rederijen krijgen die enorme hoeveelheden vis zomaar in de schoot geworpen: de Europese Unie betaalt voor hen de visserijrechten. Een land als Mauretanië ontvangt bijvoorbeeld jaarlijks meer dan 80 miljoen euro voor toegang van de moderne Europese vissersvloot tot haar zeegebied. De lokale vissers, afhankelijk van gammele houten motorbootjes, moeten door deze grootschalige buitenlandse visserij steeds verder uit de kust gaan. Dat betekent hogere brandstofkosten en vissen met gevaar voor eigen leven. Ze vangen in het beste geval net genoeg voor een armzalig levensonderhoud.

Juist doordat die visserijdruk mede door Nederlandse schepen zo enorm is toegenomen en de eigen vissers aan economisch belang verliezen, komt de lokale economie steeds verder tot stilstand. Erger nog, de vis die door de Nederlanders en consorten is gevangen wordt vaak op de lokale markt gedumpt en ontwricht de lokale vismarkt zo nog verder.

Het begin van het probleem ligt dichter bij huis. Europa jaagt in zijn regio met teveel schepen al jarenlang op te weinig vis, waardoor de zeeën daar uitgeput zijn geraakt. Vervolgens subsidieert de overheid de export van dit probleem naar de arme landen. De Nederlandse vissersschepen die hiervoor worden ingezet voeren de lijst aan van grootste vissersschepen ter wereld.

De verdragen die deze internationale visserij mogelijk maken heten ironisch genoeg visserij-partnerschapsovereenkomsten. Een naam die klinkt alsof men het beste voorheeft met de lokale bevolking. Marokko, waar jaarlijks meer dan 30 miljoen euro aan visserijgelden vanuit Europa naar wordt overgeboekt, is een van de vele bewijzen dat lokale belangen daarbij niet meetellen.

De plaatselijke vissers moeten met hun bootjes aan land blijven omdat de visstand dusdanig is gedaald dat er amper nog gevist mag worden. De Europese supertrawlers kunnen dankzij de verdragen doorgaan om – voor de ogen van de werkeloze vissers – de zee leeg te trekken.

Het meest extreme voorbeeld is de mechanische kokkelvisserij. Een Nederlandse kokkelvisser werd in 2005 door de staat voor vele miljoenen uitgekocht omdat hij op last van het Europese hof in de Waddenzee moest stoppen met deze verwoestende manier van vissen.

Dezelfde visser krijgt nu overheidssteun om voor de kust van Afrika de zeebodem kapot te zuigen. Het gaat om een zeer kwetsbaar natuurgebied in Mauretanië, waar de lokale economie drijft op kleinschalige visvangst. Mauretanië is een woestijnland waar de helft van de bevolking van minder dan een dollar per dag moet leven. In zee ligt hun grote bron van voedsel en inkomsten.

De afspraak met Mauretanië heet dan heel mooi een publiek private partnerschap (PPP), omdat het voor de bestwil van de lokale bevolking zou zijn. Protestgeluiden van de lokale vissers, doodsbang dat hun werkgebied en daarmee hun werkgelegenheid ten onder gaan, worden door Nederland genegeerd.

Ook bij de Mauretaanse overheid vangen ze bot. De Nederlandse overheid zegt toch immers dat dit een prima vorm van visserij is – en daarbij levert het forse bedragen op. Voor de Mauretaanse overheid, niet voor de lokale vissers.

Zelfredzaamheid zoals de WRR voorstaat klinkt mooi: je eigen visje vangen, op eigen benen staan. Maar met de manier waarop Nederland op dit moment in ontwikkelingslanden met visserijverdragen bezig is, werkt onze overheid aan het tegenovergestelde.

We helpen deze mensen niet bij het vissen, maar pakken hun vis af en bieden die vervolgens op hun markten aan. Als de overheid ergens op zou moeten bezuinigen, dan is het wel op de steun voor deze visdiefstal.

Beter zou het zijn deze landen te helpen om zelf hun visgronden duurzaam te beheren. Dan is er straks ook nog vis – voor iedereen.

mailIcon print |