Vandaag precies 65 jaar geleden, werd Auschwitz bevrijd – u ziet, het wil in deze rubriek maar niet gezellig worden. Voor de gelegenheid heb ik een afspraak gemaakt met een overlevende – ze zijn er nog.
Rob Cohen is zojuist 84 geworden. Hem zag ik voor het eerst enige weken geleden, bij het begin van het proces tegen Ivan Demjanjuk in München. Midden in de zaal stond hij, demonstratief met opgestroopte linkermouw en omstuwd door fotografen van de wereldpers. Een taaie overlever. Op zijn onderarm dat getatoeëerde nummer.
Rob Cohen is een van de medeaanklagers tegen de vermoedelijke kampbewaker in Sobibor, omdat hij in dat kamp zijn ouders en zijn broer verloor. Zelf werd hij gescheiden van zijn familie gedeporteerd. Op de tweede zittingsdag werd hij door de rechtbank gehoord en deed hij in het Duits summier verslag van zijn wederwaardigheden in de oorlog. Summier! In tien minuten vlogen we door Vught, Westerbork, elf maanden Auschwitz, het kamp Mittelbau-Dora, een dodenmars en een tiendaagse, winterse helletocht in een open goederenwagon, waarbij het woord Kannibalismus viel.
Ik vraag hem nog eens naar dat kannibalisme. We zitten aan de koffie in het café van Het Museum van de Twintigste Eeuw in Hoorn. „Nou ja, de billen en zo”, zegt hij en maakt met zijn hand een wegwuif gebaar, ten teken dat hij er niet verder op in wil gaan. „Maar ik heb me er niet aan bezondigd.”
In die ijskoude open wagon stierven gevangenen, de anderen sliepen op hun lijken zo lang ze nog warm waren en er waren er, die zo wanhopig en uitgehongerd waren, dat ze ervan aten.
Drie etages boven ons is een tentoonstelling ingericht over de Holocaust, met het leven van Cohen als leidraad. De vooroorlogse etalage van de chocolaterie van zijn ouders in Amsterdam is er nagebouwd. Cohen leidde er spontaan even een groepje eerste klassers van een lyceum rond. Want dit is waarmee hij nu zijn levensdagen vult: met passie vertellen over toen.
Hij geeft zo’n vijftig lezingen per jaar, veel op scholen, ook op zwarte. Hij vraagt tenminste vier uur tijd, anders begint hij er niet aan. „Soms gaan de moslimmeisjes eerst met hun rug naar me toe zitten, maar dat duurt niet lang, dan heb ik ook hun aandacht.”
Bijna vijftig jaar heeft hij over zijn ervaringen gezwegen, vooral om zijn dochter te ontzien. Maar sinds vijftien jaar spreekt hij. Als een waterval. Alsof al die jaren van zwijgen ingehaald moeten worden. Er verscheen inmiddels ook een boek over hem, gebaseerd op een serie gesprekken. Het heet: ’Rob Cohen. Niet klein gekregen.’ Het is uitgegeven bij Verbum.
Helemaal geslaagd is het niet, het springt heen en weer, zoals zijn verteltrant, en Cohen is er wat ongemakkelijk bij. En dan staan thuis nog tweeduizend uur tv documentaires over de oorlog. Een schat op dvd. Er is nog zoveel te vertellen, het lijkt uit zijn hoofd te willen barsten. En krapper wordt de tijd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.