*

 

’We deden niet aan afstandelijke journalistiek’

23/01/10, 00:00

10.000 keer Trouw.

  • Trouw van 3 december 1976. Burgers worden mondiger en dat blijkt ook in het bedrijfsleven. Vakbonden eisen voor werknemers zeggenschap in de onderneming waar ze in dienst zijn. (Trouw)
    Trouw van 3 december 1976. Burgers worden mondiger en dat blijkt ook in het bedrijfsleven. Vakbonden eisen voor werknemers zeggenschap in de onderneming waar ze in dienst zijn. (Trouw)
  •  (Trouw)
    (Trouw)
  • Johan ten Hove: We spraken niet van terroristen, want, en dat speelde mee,  het waren allemaal christenen. (Trouw)
    Johan ten Hove: We spraken niet van terroristen, want, en dat speelde mee, het waren allemaal christenen. (Trouw)

Johan ten Hove is nog midden in zijn studie niet-westerse sociologie als hij in de herfst van 1973 een advertentie ziet voor een Azië-specialist op de buitenlandredactie van Trouw. Hij weet wel iets van Azië. Maar de sollicitatie strandt; Trouw kan geen nieuwe redacteur betalen. Een half jaar later wordt hij gebeld. „We hebben weer geld. Heb je nog zin?” Dat heeft Ten Hove. En op zijn vraag ’Wanneer?’ klinkt het ’Kom morgen maar’. De volgende dag werkt hij bij Trouw. „Ik kon nog niet eens typen!”

Hij treft niet alleen een hartelijke sfeer onder de collega’s, die hem meteen rond het middaguur meetronen naar een nabijgelegen café, maar ook een grote vrijheid om tijdens hele lange werkdagen analyserende artikelen te schrijven. Binnen een jaar wordt zo’n beschouwing tot commentaar verheven. Ten Hove (nu 64): „Ik had het gevoel erbij te horen, voor vol te worden aangezien. Ik was een ervaren journalist.”

De buitenlandredactie van Trouw heeft status. Dat begint al in de jaren zestig. Ze loopt voorop in het verzet tegen de oorlog in Vietnam, zo ongeveer de graadmeter voor journalistieke voortreffelijkheid. De redacteuren hebben dan ook privileges, zoals langdurige bezoeken aan het buitenland.

Vrij snel wordt Ten Hove ook op reis gestuurd. Naar Indonesië. „Dat was een belangrijk gebied voor Trouw. Ik logeerde voor een habbekrats bij de Indonesische Raad van Kerken in een chique wijk. En ik hoefde niet meteen iets te schrijven. Leer het land en de mensen kennen, was de opdracht die ik mee had. ’s Nachts liep ik wel eens met kouwe rillingen over mijn rug: als Soeharto nu doodging kon ik niks in de krant schrijven.” Hij leert in elk geval dat de militaire leider van het land op dat moment wordt gezien als de man die Indonesië heeft gered van het communisme.

De jaren zeventig staan in het teken van aanslagen, kapingen en gijzelingen. Van de Palestijnen, de Rote Armee Fraktion in Duitsland, de Rode Brigades in Italië, het Rode Leger in Japan. En de Molukkers in Nederland. ’De Molukken zijn ook Indonesië en dus ook van jou’, krijgt Ten Hove op de redactie te horen. Hij trekt met een collega door Nederland om informatie te vergaren over de Molukse zaak.

„We hebben getafeltennist met Molukse jongeren. En we kregen te horen: ’Wij willen ook een eigen staat’. Het zat heel diep bij die mensen. Er was ook wel enige sympathie bij het publiek. We spraken niet van ’terroristen’, want – en dat speelde mee – het waren allemaal christenen.”

Het woord terrorisme valt in die tijd sowieso weinig op de redactie, stelt Ten Hove nu vast. Extremisme is vaak de term. Bij sommigen op de redactie is er licht begrip voor kapingen en gijzelingen en men heeft romantische ideeën over vrijheidsstrijd.

„De Rote Armee Fraktion pakte de kapitalisten aan. Nederland was toen ook in de ban van het actiewezen. De Chinese culturele revolutie – waar veel actievoerders op teruggrepen – werd welwillend bekeken. Bij de krant leefde zeker in het begin het gevoel dat men in China bezig was met het opbouwen van een nieuwe samenleving.”

Johan ten Hove gaat aan het eind van de jaren zeventig in het kielzog van de toenmalige minister van buitenlandse zaken Chris van der Klaauw mee naar China. „Anders kwam je niet binnen. Met wat collega’s zijn we op de bus gestapt, Peking in. We werden aangegaapt. In die tijd ben ik ook naar Hongkong geweest en naar de grens van die stad met China. Er kwamen hopen Rode Gardisten – uitvoerders van de Revolutie – de grens over. Honderdduizenden per jaar. Allemaal teleurgesteld in Mao’s revolutie.”

Opiniërend Nederland is in die tijd nogal links georiënteerd. „De verhalen van Cambodjaanse vluchtelingen over het regime van Pol Pot werden niet geloofd. Ze wilden natuurlijk alleen maar hun vlucht rechtvaardigen, zo werd gedacht.”

Het is de tijd van protest en verandering en die weerspiegelt zich ook op de redactie van Trouw. Daar gaan veel van de artikelen over. „Het was voor een deel campagnejournalistiek. Ik waag te betwijfelen of het altijd voldeed aan de journalistieke eisen. Aan de andere kant werden we ook wel professioneler. In elk geval deden we niet aan afstandelijke journalistiek. Bij de gijzeling van de Israëlische atleten op de Olympische Spelen in München (1972) versloegen de sportjournalisten ook die vreselijke dingen.”

Ook de techniek op de redactie verandert. De elektronische tekstverwerker neemt de plaats in van de schrijfmachine. Het heeft het schrijven van artikelen wel enorm veel makkelijker gemaakt stelt Ten Hove – die aanvankelijk heel sceptisch was – terugkijkend vast. En hij memoreert hoe hij in Libanon eens bij een postkantoor smeekte of ze open wilden doen, omdat hij nog een stukje tekst moest voorlezen aan de stenodienst in Amsterdam.

Niet alleen over de techniek is hij gaandeweg anders gaan denken, ook zijn waardering voor het beeld is veranderd. Tot ver na de jaren zeventig suggereert hij, voor de keus gesteld of een stuk tekst buiten de krant moet blijven of een foto, het beeld te laten vallen. „Het beeld is voor de lezer belangrijker geworden en sommige foto’s zeggen meer dan een verhaal. Ik ben wel altijd wars geweest van semikunstzinnig gedoe met foto’s. De tekst is voor mij altijd belangrijk geweest. Een krant is geen prentenboek. Maar als een foto de zaak beter kan verbeelden dan een tekst, moet je de foto plaatsen.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />