*

 

Ieder woord doordenken

Hanne Obbink − 20/01/10, 00:00

Het gaat niet goed met de vakken Grieks en Latijn op het gymnasium. En dus moet het anders, vindt een commissie. Tot afschuw van veel classici. ’Pietepeuterig puzzelen’, daar draait het juist om in die vakken.

  • (Trouw)

Ooit, toen Hugo Heijker leerling op het gymnasium was, stonden er per week achttien uren Latijn en Grieks op het lesrooster. „En we deden niets anders dan vertalen”, zegt Heijker. „Over de cultuur van de oudheid kwam ik pas iets te weten aan de universiteit, tijdens mijn studie klassieke talen.”

Dat was enkele decennia geleden. Tegenwoordig is Heijker leraar Grieks en Latijn aan het Sint Janslyceum in Den Bosch. Zijn leerlingen krijgen hoogstens zeven uur klassieke talen per week. Vertaald wordt er in die lessen nog steeds. „Maar taal is een middel, geen doel”, zegt Heijker. „Via de teksten kom je in aanraking met de klassieke cultuur, en dáár gaat het om.”

Maandagochtend, het eerste lesuur, is te zien wat Heijer bedoelt. Zijn les in 3 gymnasium begint met het doornemen van een tekst die de leerlingen als huiswerk hebben moeten vertalen. „Nee, capite is de gebiedende wijs van het werkwoord capere, pakken; dat heeft niets met caput, hoofd te maken.” En passant legt Heijker ook de typisch Latijnse zinsconstructie ’accusativus cum infinitivo’ nogmaals uit.

Maar de tweede helft van de les gaat het over Romeins glas – in de te vertalen tekst had een slaaf een dure glazen vaas laten vallen, vandaar. Heijker laat plaatjes zien en legt uit hoe dat glaswerk gemaakt is. „Tijdrovend werk, maar arbeid was in de Oudheid niet de grootste kostenpost.” En zo komt dus ook de klassieke economie even aan bod.

Met zijn nadruk op het belang van de klassieke cultuur schaart Heijker zich duidelijk in een van de kampen die de afgelopen maanden zijn ontstaan in een heftige discussie over de toekomst van Grieks en Latijn op het gymnasium.

Zijn de vakken Grieks en Latijn een middel om de klassieke cultuur te kunnen doorgronden, zoals Heijker vindt? Of is kennis van de taal zelf óók het doel van het onderwijs in Grieks en Latijn, zoals het andere kamp volhoudt? Volgens velen staat de toekomst van het gymnasium zelfs op het spel.

Wat is er precies aan de hand? Eind vorig jaar werd een voorlopig rapport openbaar van een verkenningscommissie over de toekomst van Grieks en Latijn als schoolvakken. Het opvallendste voorstel uit dat rapport is dat er een nieuw vak moet komen voor klas 4 en hoger van het gymnasium: Griekse en Latijnse taal en cultuur. Daarin moeten de vakken Grieks, Latijn en klassieke culturele vorming samengaan. Voor dit nieuwe vak worden nog wel originele klassieke teksten gelezen, maar dat zal meestal gebeuren uit tweetalige edities: Latijn of Grieks met de Nederlandse vertaling ernaast.

Voor leerlingen die zich grondiger willen verdiepen in de twee talen (en niet zozeer in de cultuur) moeten er volgens de commissie aparte vakken Latijn en Grieks komen, maar dat zijn voortaan keuzevakken. Alleen deze leerlingen krijgen tijdens hun eindexamen nog de aloude ’proefvertaling’ voorgelegd: een klassieke tekst die ze niet eerder hebben gezien en die liefst foutloos vertaald moet worden.

Met deze voorstellen wil de verkenningscommissie het verval van de klassieke talen tot stilstand brengen. Want het gaat niet goed met de vakken Grieks en Latijn op het gymnasium – dat wordt door weinigen bestreden. Meer dan de helft van de gymnasiasten haalt niet eens een zesje bij het centraal eindexamen Latijn, stelde de onderwijsinspectie anderhalf jaar geleden al eens vast, en bij Grieks zijn de cijfers nauwelijks beter.

Die resultaten stralen af op het gymnasium als geheel. Dat profileert zich tenslotte vooral door middel van de klassieke talen tegenover de rest van het vwo. Wat blijft er over van de pretenties van het gymnasium als leerlingen juist in die vakken ondermaats presteren?

Achter die beroerde examencijfers gaat een omvangrijke problematiek schuil. Vooral de zelfstandige gymnasia danken hun populariteit niet aan de klassieke talen, maar aan het feit dat deze scholen vaak kleinschalig zijn en overwegend door de (blanke) elite bezocht worden. Een gymnasiumdiploma geeft status. Maar als dat ook zonder klassieke talen kon, zouden veel ouders daar geen enkel bezwaar tegen hebben. Gymnasia horen het ouders op open dagen soms letterlijk zeggen: leuke school, alleen jammer dat er Grieks en Latijn gegeven wordt. Geen wonder, dus, dat gymnasiasten vaak nauwelijks de motivatie opbrengen om zich voor deze vakken in te zetten.

Ook de docenten zijn deel van de problematiek. Zij werken vaak in een isolement, werd een paar jaar geleden in onderzoek vastgesteld; didactische vernieuwingen in de moderne talen zijn veelal aan hen voorbijgegaan. Daar komt bij dat er een tekort is aan docenten Grieks en Latijn, en dat zal de komende jaren alleen maar nijpender worden.

„Niets doen is geen optie”, stelde die verkenningscommissie dan ook, want dan zal de neergang zich voortzetten. Maar wát er precies moet worden gedaan, daarover blijken de meningen diepgaand te verschillen. Voordat ze haar advies aan staatssecretaris Van Bijsterveldt overhandigt, later dit jaar, wilde de commissie weten wat leraren klassieke talen ervan vonden. En dat heeft behalve bijval ook een stortvloed van afwijzende, zelfs woedende reacties opgeleverd.

Waarom zouden we de lat lager leggen alleen maar omdat de meeste leerlingen het vereiste niveau niet weten te halen, vragen veel leraren zich verontwaardigd af. Wat blijft er met deze verlaagde eisen over van de toegevoegde waarde van het gymnasiumdiploma?

De critici maken zich vooral zorgen over de teloorgang van het echte taalonderwijs. In de loop der tijd is binnen de vakken Latijn en Grieks de aandacht voor de klassieke cultuur al flink gegroeid en die voor taal gekrompen. Zeer tegen de zin van veel leraren. „Zie taal als doel, niet als middel”, stelt bijvoorbeeld Anneke de Vries, lerares klassieke talen aan scholengemeenschap de Borgen in Leek. „Die talen zijn moeilijk, ja. Maar dat is nu net het mooie, het uitdagende. Langzaam pietepeuterig puzzelen en diep doordenken van ieder woord en elke zin, daar gaat het om.”

Ook leraren die wel begrip hebben voor die verschuiving van taal naar cultuur vrezen nu dat nóg minder nadruk op taal de doodssteek voor het vak betekent. „We hebben nu een verantwoorde mix van taal en cultuur”, zegt Ad van der Zanden, leraar klassieke talen aan het Pius X-college in Bladel. „Maar nu dreigt het onderwijs in ons vak vernietigd te worden. Als je leerlingen voortdurend laat werken met de vertaling van teksten ernaast, dan maken ze zich de taal niet meer eigen; dan leren ze de structuur en het grammaticale systeem niet echt te doorgronden.”

Van der Zanden spreekt uit ervaring. Regelmatig laat hij zijn leerlingen teksten bestuderen met een vertaling ernaast, ’om tempo te maken’. Maar af en toe geeft hij ze vijftien regels om echt te vertalen, dus zonder Nederlandse vertaling ernaast. „Na een paar weken vragen ze dan: waarom mogen we niet altijd vertalen, dat is veel leuker. Waarom? Omdat ze dan intensiever met de tekst bezig zijn. Het is een soort sport, een spel dat ze niet fluitend doen, maar wel de moeite waard vinden.”

Heijker is een andere mening toegedaan. Hij vindt veel van zijn collega’s ’behoudend en verbeten’, met hun zware nadruk op de taal. „Veel leerlingen hebben gruwelijk de pest aan dat vertalen. Het lijkt wel of dat vertalen als een soort inwijdingsritueel wordt gebruikt: eerst moet je vertalen, dan pas mag je je in de klassieke cultuur verdiepen.”

mailIcon print |