*

 

Amper twee A-viertjes

Wim Boevink − 29/01/10, 00:00

Die stem. Een beetje hoog en dun, maar niet onvast. Hij sprak in het Engels, na elke zin volgde de Duitse vertaling van de vrouwelijke tolk die dicht naast hem zat, bijna schouder aan schouder. Ze deelden de microfoon. En ons toehoorders – rechters, advocaten, publiek – stroomde bij vlagen het ijs door de aderen.

We zijn terug in de rechtszaal in München, bij dat proces tegen Ivan Demjanjuk, volgens de aanklacht kampbewaker in het vernietigingskamp Sobibor en medeplichtig aan de moord op 27.900 joden. De man met die hoge, dunne stem is Philip Bialowitz, 85, afkomstig uit het Oost-Poolse stadje Izbica. Hij overleefde Sobibor omdat hij met zijn broer Symcha werd geselecteerd om dwangarbeid te verrichten. Samen wisten ze te ontkomen bij de opstand in oktober 1943.

Philip Bialowitz woont inmiddels in New York, waar hij na de oorlog een juwelierszaakje opbouwde. Zijn broer Symcha, 97, leeft ook nog en woont in Israël. Hij wilde ook naar München komen om te getuigen, maar zijn arts ontraadde het hem.

Daar zat Philip dus, in zijn eentje. En las, zin voor zin, zijn verklaring voor. Amper twee A-viertjes. En voor wie de literatuur kende, vertelde hij niets nieuws. Maar die stem.

Hij had het haar van de vrouwen moeten knippen. „Veel van deze vrouwen kwamen uit Nederland en ze schenen te denken dat dit een resettlement-kamp was. Ze vroegen me beleefd hun haar niet te kort te knippen. Minuten later hoorden we het gebrul van een motor, gemengd met een gruwelijk geschreeuw. Eerst luid en sterk, daarna geleidelijk afnemend tot het stil was.”

„Ik zag veel Nederlandse joden per trein aankomen, met koffers vol persoonlijke bezittingen. Ik moest ze helpen uitstappen; sommigen boden me een fooi aan voor mijn hulp. Mijn hart bloedde, want ik wist dat ze binnen een uur dood zouden zijn.”

„Op een dag arriveerde een transport met goederenwagons uit Lemberg. Maar toen ik en andere gevangenen de deuren openden, kwam ons een vreselijke stank tegemoet van ontbindende lichamen. De helft van de mensen was dood. De nog levenden half waanzinnig. We moesten de lichamen uit de trein halen. Toen ik dat bij een dode vrouw probeerde, trok ik de huid van haar af.”

De stank, de aanblik, hij kon er niet meer tegen en ging liggen op dat perron. „Wat doe je?!” riep een SS’er. „Werk door!” En stak hem een brandende sigaret in de mond. Tegen de stank.

Hij werkte door. Zag een dode moeder die haar dode baby in de armen hield. Beiden opgezwollen. De SS’er vond het een mooi gezicht. En nam er een foto van. „Tot op de dag van vandaag”, zei de hoge stem, „heb ik hier nachtmerries van.”

Nee, hij vertelde niks nieuws. Toen Philip Bialowitz was uitgesproken, was er niemand die voor deze getuige nog vragen had. Een van de Nederlandse nabestaanden snelde aangedaan naar buiten. Onze hoofden voelden vol en zwaar.

mailIcon print |