Sport is zelden zomaar sport. Zeker turnen niet, dat gestaalde lichamen kan opleveren. Publicist Erik Brouwer dook in de geschiedenis van zijn overgrootvader en diens kompaan, relativerende helden op de Olympische Spelen van 1908 en willoze slachtoffers tijdens de Tweede Wereldoorlog.
De Amsterdamse turnclub Spartacus kwam de oorlog niet meer te boven. De overlevenden van de vereniging organiseerden nog wel een heroprichtingsvergadering, maar het was tevergeefs: bijna tachtig procent van de leden was niet teruggekomen uit de kampen.
De voorzitter van de Amsterdamse Turn Bond refereerde aan de verliezen in een toespraak in december 1945: „Vooral onze Joodse makkers werden zwaar bezocht. Deemoedig buigen we het hoofd en wenen met hen die treuren.” In dezelfde rede blikte de preses al vooruit naar de toekomst en onderstreepte hij het belang voor turnen bij de wederopbouw. Op een moment dat meer dan ooit de handen uit de mouwen moesten, had het land belang bij gestaalde spieren.
Zo plooide de sport zich naar zijn beoefenaars en het historisch tij. De Duitser Friedrich Jahn (1778-1852, zie kader) gold daarbij als hét grote voorbeeld. Zelfs voor de eerste Spartacisten, die zich er kennelijk niet aan stoorden dat Jahn zich bij leven had ontpopt als een fanatieke Duitse nationalist. Hij zou ook een held worden van de nationaal-socialisten.
Vanwege de Helleense achtergrond werd sport in Joodse kringen lang gezien als een heidense, onreine bezigheid. Schriftgeleerden beweerden dat dit soort lichaamsbewegingen tot verwoesting van steden had geleid en bijvoorbeeld tot de ondergang van de Joodse gemeenschap in Alexandrië. Onder invloed van de zionistische denkbeelden van Theodor Herzl veranderde begin twintigste eeuw de opvattingen: hij pleitte juist voor een geestelijke én fysieke renaissance van het Joodse volk.
Spartacus bestond grotendeels uit Joodse leden. Bij optredens buiten de hoofdstad leidde dat soms tot antisemitische reacties van toeschouwers (’Jullie is jodenvolk!’ en ’Jullie hebben onze Jezus gekruisigd!’). Maar de vereniging afficheerde zichzelf niet nadrukkelijk als Joods, wat de club in de jaren twintig op verdachtmakingen uit eigen kring kwam te staan. Spartacus en soortgelijke organisaties waren zoals een criticaster het omschreef ’haarden van Joodsch-onwaardige assimilatie, waar de ’neutraliteit’ niet anders gedemonstreerd schijnt te kunnen worden dan een onaanvaardbaar-overdreven vaderlandsliefde en een verdoezelen van het Jood-zijn waar dat even mogelijk is’. In de jaren dertig kreeg de vereniging, mede onder invloed van de ontwikkelingen in nazi-Duitsland, wel een Joodser karakter.
Publicist Erik Brouwer heeft met turnen als vehikel van de tijdgeest een prachtig gegeven te pakken voor een boek. ’Spartacus. De familiegeschiedenis van twee joodse Olympiërs’ wordt echter – de titel zegt het al – gepresenteerd als het levensverhaal van Emanuel Brouwer (de overgrootvader van de auteur) en zijn turnvriend Isidore Goudeket. Het zou prachtig zijn, als het volledig gelukt was om het centrale thema via hen uit te werken, maar Brouwers is daar niet helemaal in geslaagd.
Meeslepend is Brouwers’ beschrijving van de deelname van het tweetal aan de Olympische Spelen in Londen in 1908. Met de bagage ging een grote kist rookwaar mee en ook het drinkgedrag op weg naar en in de Britse hoofdstad deed in weinig aan de toppers van vandaag denken. De meeste Nederlanders waren nog ware amateurs, die zich ergerden aan de (beginnende) sportverdwazing en het nationalisme die dat met zich meebracht. De diamantklovers Brouwers en Goudeket eindigen op de 64e en 62e plaats.
Indringend beschrijft de auteur het lot van het duo en hun naasten tijdens de oorlog. ’Spierenjoden’ van turnverenigingen behoorden tot de favorieten van commandant Gemmeker van het doorgangskamp Westerbork, een man die zijn voorliefde voor sport en vermaak in de meest bizarre omstandigheden bleef koesteren. Brouwer en Goudeket waren toen al te oud om mee te doen aan oefeningen en demonstraties.
Jammer genoeg krijgt de lezer slechts een verbrokkeld beeld van de wederwaardigheden van het duo tussen hun grote sportavontuur in 1908 en de jaren 1940-1945. Heel veel verder dan hun afscheid van de turnsport en de gevolgen van de economische crisis komt de schrijver niet. De hoofdfiguren komen daardoor niet helemaal goed tot leven.
Dat ’Spartacus’ toch een intrigerend boek is, komt door de kracht van het verhaal en de het verteltalent van Erik Brouwer. Het bewijst dat uit de annalen van de sport meer tevoorschijn te toveren valt dan mythische helden alleen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.