In zijn maandelijkse essay beschrijft Willem Jan Otten wat hij zag toen hij de film ’Avatar’ ging bekijken. „Miljoenen mensen hebben het inmiddels ook gedaan: de bril opzetten die ons eindelijk overtuigend dát zou voortoveren wat we overdag altijd al zien – de driedimensionale werkelijkheid.”
In mijn huwelijk ben ik degene die het laatst in-, en het langst doorslaapt. Dus zie ik Haar maar zelden de ogen opslaan. En toch, moest er een canon worden opgesteld van Doodgewone maar Ondoorgronde Gebeurtenissen, dan zou ’iemand zien ontwaken’, daar hoog op moeten eindigen.
Toen er bijna dertig jaar geleden baby’s in huis kwamen, mocht ik het enkele jaren lang dagelijks meemaken – de blik die opgeslagen wordt en die een fractie van een seconde ’van elders’ komt, en mij dan, met een zichtbaar schokje, herkent. Het is iets wat mij met bijna niemand overkomt, ook met mijn dierbaarste vrienden niet. Er was de keer dat mijn moeder, dertig jaar geleden, uit haar narcose ontwaakte. Er was de keer dat mijn vader na een coma bijkwam.
Die laatste awakening (zoals de grote getuige-deskundige op dit terrein, Oliver Sacks, het heeft genoemd) was begoochelend. Het duurde namelijk lang – weken – vóór mijn vader was opgedoken uit het ’elders’ waar hij tijdens zijn schijndood had verkeerd. Hij ontwaakte – maar schudde niet echt zijn droom van zich af, die al die tijd dezelfde leek te zijn. Wat hij ervan vertelde, in onsamenhangende flarden (hij zou later steeds afatischer worden), bestond uit steeds dezelfde ingrediënten. Een sliert meanderende gebeurtenissen tijdens een boottocht over een ’Zuiderzee’, in de richting van ’de Grote Sluizen’, zoals hij het noemde. Hij kon niet zeggen wat er na de sluizen zou komen.
Hij wist dat wat hij vertelde een droom was, of: een fictie. Hij grinnikte toen ik zei dat het een ficcione was. Hij was, net als ik, een lezer van Borges, die zijn metafysische verhalen ficciones noemt. In ’De ronde Ruïnes’ wil een man al dromend scheppen. „Het plan dat hem voor ogen stond was niet onmogelijk, zij het wel bovennatuurlijk. Hij wilde een mens dromen: hij wilde hem tot in de puntjes dromen en aan de werkelijkheid opleggen.”
Mijn vader leek niet te beseffen dat hij in het ziekenhuis lag. Hij wist wie ik was, maar of hij dacht dat hij mij droomde? Toch – het feit dat hij mij steeds herkende, opkijkend uit de doezel waarin ik hem aantrof – dat deed het hem. Het was fijn om, na veertig jaar gecompliceerde zoon-vaderverhouding, het Ithaca te zijn van zijn comateuze dolingen.
Ik moest aan deze wonderlijke tijd in het OLVG denken toen ik ’Avatar’ zag. Miljoenen mensen hebben het inmiddels ook gedaan: de bril opzetten die ons eindelijk overtuigend dát zou voortoveren wat we overdag altijd al zien – de driedimensionale werkelijkheid.
Het is beslist niet makkelijk om te beschrijven wat je overkomt als je dusdanig gebrild naar deze film kijkt – los van het verhaal, dat op een of andere manier volmaakt lijkt te passen bij de optische begoocheling waaraan je ten prooi valt. Want het genot tijdens het kijken wordt veroorzaakt doordat je weet dat het niet kan. Het veertje dat uit de boom de zaal in dwarrelt, en, op een zuchtje wind, een tocht maakt over de hoofden van de andere bioscoopgangers, en bijna op je voorhoofd daalt, waardoor je echt even met je hand langs je frons strijkt – dat veertje is werkelijk nergens anders dan ’op het scherm’, en is ook dáár niets anders dan een verzameling dwarrelende pixels.
Dit ene veertje dwarrelt naar alle voorhoofden van alle toeschouwers afzonderlijk – en is, zou je kunnen zeggen, even ondenkbaar, ondoorgrondelijk als het leerstuk van de Alomtegenwoordigheid. En toch heb ik het gezien.
Ik bedoel: wat ik meemaakte bestond voor mij en bestond niet, net als de boottocht voor mijn vader. En steeds was het ’bestaan’ van wat we zagen net iets sterker dan het besef dat we in Tuschinski zaten.
Wat doet 3D met je? Het maakt de realiteit die je ziet niet ’echter’, maar vergroot onze illusie van ’daar’ werkelijk aanwezig te zijn. 3D bezorgt je de ervaring op pad te zijn, je wordt, met heel je hebben en houden, lichamelijk getransporteerd. Naar ’elders’.
Deze sensatie van verplaatste aanwezigheid kenden de miljoenen mensen die computergames spelen al ruimschoots. Ook games hebben, als ik het goed begrijp, bijna altijd de structuur van een tocht. Je kiest je zelf een avatar, een plaatsvervanger, doorgaans een zwaarbewapende wandelende klerenkast, en samen met hem, of beter: met hem als ’lichaam’ en vooral: als blik, baan je je een weg door een Zone vol (doorgaans vijandige) obstakels. Soms ben je een auto, soms een vliegtuig. Er zijn spellen – Second Life bijvoorbeeld – waarin je een fantasiedier kunt zijn, een vos, een centaur, een katachtige.
In een game bedien je je avatar, ongeveer zoals een aankomende piloot in de vluchtsimulator zijn Boeing bedient.
Wat hier gebeurt, is in feite de uitwerking van een oeroud verlangen: naar zielsverhuizing. Ieder jongetje neemt achter zijn Playstation deel aan het Project van Pythagoras, zoals verwoord in Boek XV van Ovidius’ ’Metamorfosen’: „Alles verandert, niets vergaat. De ziel doolt rond, verhuizend van hier naar daar, van daar naar hier; bewoont welk lichaam zij maar wil, gaat van een dierenlijf in dat van mensen over, van ons weer in een dier en nooit zal hij te gronde gaan.” (In de vertaling van M. D’Hane-Scheltema.)
De Metamorfosen van Ovidius zijn overigens een en al poging om je als lezer ’van binnen uit’ mee te laten maken hoe het is om in iets anders te veranderen. Neem, willekeurig voorbeeld, de slaapgod Morpheus die in de gestalte van Ceyx gaat staan aan het voeteneind van Alcyone, om haar, je vrouw, te vertellen dat jij, Ceyx, verdronken bent op zee Ja, dat gebeurt er bij Ovidius: al lezend word je het personage, zijn verhalen staan om zo te zeggen in de ’tweede persoon enkelvoud’. Neem, even later in hetzelfde verhaal, dezelfde Alcyone die, radeloos naar zee hollend, het lijk van Ceyx ziet aanspoelen om, terwijl je het lijk kust, te ontdekken dat je een snavel hebt gekregen, en vleugels, en te veranderen in een ijsvogel, die de aangespoelde ’wanhopig blijft kussen met haar snavelpunt’ – iets waardoor de dode, staat er, ’gevoel krijgt’, en mééverandert in een ijsvogel, ’en hun liefde bleef ondanks hun beider lot bestaan’.
Allemaal woorden die je ziel mééhelpen verhuizen naar achtereenvolgens Morpheus, Ceyx en Alcyone – niet bestaande wezens die desondanks, doordat de lezer naar, of beter: in hen wordt verplaatst, realiteit worden.
Deze ’verplaatsing’ van je aanwezigheid in iemand die je niet bent, met behulp van wat in het Nederlands treffend ’inleving’ wordt genoemd, is iets waaraan nooit genoeg waarde gehecht kan worden.
Aan dit pythagorese Verhuisproject heeft regisseur en bedenker James Cameron nu zijn ’Avatar’ toegevoegd. Het is de ficcione van Jake Sully, een Amerikaanse marinier die aan beide benen verlamd is geraakt. Hij heeft een (eeneiige) tweelingbroer die tijdens antropologisch onderzoek naar een oerwoudvolk, de Na’vi, op een verre planeet is omgekomen. Dat onderzoek bestond eruit dat de broer zich van een gekloonde en met eigen erfelijk materiaal gemengde Na’vi bediende om zich onder het volk te kunnen begeven en het ’van binnen uit’ te leren kennen. Dat ging volgens het principe van de zielsverhuizing: liggend in een soort tank annex draadloze computer kon de broer al denkend de Na’vi tot handelen aanzetten. En zodra dat gebeurt, is de Na’vi de ’je’ van Jake geworden, en daarmee van ons.
Jake Sully wordt overgehaald om zijn broers plaats in te nemen. Hij heeft immers hetzelfde genetische materiaal, wat voor de zielsoverdracht van belang is. Maar hij is het tegendeel van een subtiel antropoloog. Hij is opgeleid om te doden, een beroepssoldaat. Hij wil zijn benen terug – en dat wordt de deal: als hij enkele jaren de plaats van zijn broer inneemt om per avatar het onderzoek voort te zetten, dan krijgt hij de dure operatie die hem zijn benen zal teruggeven.
Plaatsvervanging is een leidend motief in dit verhaal, zoals in meer epische verhalen. Je treft het in het Oude Testament (de ram die de plaats van Isaak inneemt, Jacob die zich als Esau voordoet), in mythen (Zeus die Amphitryons gestalte leent ), zelfs in het Evangelie: de Zoon neemt de plaats in van de zondebok. Klonk ik niet te veel als de dominee die naarstig de jongelui wil bereiken, dan zou ik opperen dat het na het zien van ’Avatar’ niet zo raar is om, bij wijze van gedachte-experiment, Jezus te zien als de avatar van God.
Soms lijkt het alsof Cameron deze theologische analogie uitprobeert met zijn film – alsof hij iets wil zeggen over de verhouding tussen schepper (bedenker, Jake) en plaatsvervanger (avatar, Na’vi). Maar als de avatar door Jake in een situatie gemanoeuvreerd wordt waarin hij zijn leven moet offeren, ontstaat er toch geen ’verlossingsdrama’. Er is namelijk geen sprake van dat de Na’vi ánders kan handelen dan zijn bedenker/bediener.
Hij knokt er uiteindelijk monter op los, als een marinier, maar een Golgotha, een afgrond van twijfel, grenzend aan opstand tegen zijn Willer, maakt hij niet door. Jezus zoals bekend wel. Die is als een mens vrij – en daaruit bestaat zijn lijden. Hij wil de avatar Gods zijn.
Een dergelijk verlangen kent de Na’vi niet. Hij doet wat Jake wil. Hij lijdt op een essentiële manier niet, en daarmee blijft Cameron, hoe hoog ik hem ook aansla, binnen het hoe dan ook mechanische spierballenheldenschema van de entertainment industry. Dood en sterven bestaan in dit universum niet echt, het is creation light. Wat dat betreft was Camerons vorige film ’Titanic’ een volwassener, hartverscheurender drama, waarin Leonardo di Caprio en Kate Winslet voor een grondiger beproeving werden geplaatst.
In ’Avatar’ wordt de ene broer eerst de andere broer en daarna wordt hij de Na’vi. Dat hij verlamd is geeft de fictie een extra betekenis. Als avatar kan hij lopen als geen ander – er is op de planeet minder zwaartekracht. Springen en van boomstam naar boomstam dansen, er wordt geweldig veel werk van gemaakt. Voor Jake is de avatar, zou je kunnen zeggen, een prothese. Zolang hij Na’vi is, mist hij zijn benen niet. Het deed me denken aan wat ik eens in het meesterlijke boek ’De dagen worden wel kouder maar niet korter’ van de blind geworden theoloog John Hull las: dat hij ’s nachts droomde van rondkijken en alles zien, en dat hij elke ochtend weer moest ontdekken dat hij blind was.
Het eerste uur van de film is dan ook superb. De scène waarin Jake Sully naar het bassin kijkt waarin zijn toekomstige avatar wordt gekweekt – als een vader naar zijn toekomstige zoon, of als een schilder naar zijn model, of als Onze Lieve Heer naar Adam – het is meeslepend en met opvallend veel poëzie gedaan. De scène waarin de Na’vi wordt aangesloten op Jake, en er ’door hem heen wordt gedacht’, en hij begint te bewegen, ’ hij wordt gewild’, maar de wil van de marinier barst uit de voegen van de hulpeloze, slungelachtige Na’vi – het is roerend als Pinokkio’s eerste stappen, Bambi’s geboorte, en E.T.’s eerste opkomst ineen.
Maar, als gezegd, er is tussen Jake en zijn avatar, als het eropaan komt, geen andere spanning dan die tussen baas en hond: de avatar moet eerst leren wat Jake wil en daarna wat zijn tegenspeelster hem leert – de Na’vi-vrouw die houdt van deze Vreemdeling. Welbeschouwd gaat de film over drillen, niet over groeien.
De vrouw neemt des avatars inburgeringscursusopvoeding tot echte autochtoon ter hand. Wat dat betreft is de film een omgekeerd Pygmalion-verhaal, opnieuw ontleend aan Ovidius, van de beeldhouwer die verliefd wordt op de vrouw die hij gemaakt heeft.
’Avatar’ is een schatkamer van ovidiaanse verhalen. De transformatieve, alles in alles omtoverende geest van Ovidius past bij onze tijd. Dat was al te merken aan de ’The Matrix’, aan de Harry Potters, aan de films van Tim Burton en Spike Jonze.
Pakkend is bijvoorbeeld de fictie van de vlecht: de Na’vi beschikken over een paardestaart met een cluster zenuwen aan het eind, die aangesloten kunnen worden aan een soortgelijke vlecht aan een paardachtig wezen, of aan een vliegende draak. Eenmaal aangesloten ben je het dier meester en kun je vliegen – en dat is precies wat in 3D het heerlijkste is om te doen.
Zelfs van echt in een zweefvliegtuig meevliegen herinner ik me niet dat ik zo gevlogen heb als in deze film. Bovendien maken we een slechtvalkachtige duikvlucht mee, recht naar beneden, van vermoedelijk wel twintig seconde. In Kester Freriks’ standaardwerk ’De valk’ is een schitterend hoofdstuk gewijd aan wat een valk ziet en meemaakt als hij zich rechtstandig uit de hoogte op een prooi stort. Welnu, Cameron laat ons deze duik meemaken.
Het is moeilijk om niet voortdurend in reddeloze verrukking te raken van Camerons ficties, die, net als de vindingen van J.K. Rowling, vaak vertalingen in sprookjestermen zijn van wat we welbeschouwd allang kunnen. De vlecht is niets anders dan de aansluiting die we met onze vliegende draken, de computers, kunnen hebben om over het web te zweven.
Intussen ontwikkelt het verhaal zich volkomen voorspelbaar tot een kinderachtige strijd tussen de juiste schepsels en de boze westerlingen, en verwordt het tot een oefening in zelfhaat van de witte man. Toch moet de redding komen van iemand die zelf denkt, en zich onder de murw gebeukte gelatenheid van de ongerepte autochtonen uit weet te manoeuvreren. Dat is natuurlijk de avatar bediend door Jake. Hij komt op een lumineus idee, dat ik niet zal verklappen, maar het is het soort ingeving dat je krijgt als je op een bepaalde manier buiten de totalitaire sfeer van een animistisch, ecologisch bevlogen stamverband om kunt denken.
Dit alles neemt niet weg dat er één, opnieuw ovidiaanse fictie is die de Happinez-achtige euvels doet vergeten: dat is het verhaal van de grote, treurwilgachtige boom in het hart van Na’vi-land. Aan deze boom groeien paardebloempluizen, die zich zwevend kunnen losmaken van de takken. Ze worden dan een soort zich zelf voortstulpende ragfijne kwalletjes drijvend door de lucht. Deze paardenbloemkwallen (even mooi als de illustraties van oceanische diertjes van de 17de-eeuwse geleerde Rumphius, die Cameron ongetwijfeld niet kent) zijn de gestorven voorouders van de Na’vi.
Ze drijven overal in het bos, maar lijken ook weer telkens naar hun wilg terug te keren. Ze kunnen soms ingrijpen. Een van hen doet dat op het moment dat de Na’vi-vrouw de avatar wil doodschieten. Het is een onvergetelijke aanblik – de naamloze paardebloemvoorvader, die de bioscoop in zweeft en vastberaden, maar tergend langzaam terugzweeft naar de pijl, om daar op neer te strijken. En ’ons’ te redden. Want de vrouw begrijpt dat dit een teken is. Een ingrijpen.
Natuurlijk dacht ik aan mijn vader, die bijna vijf jaar na het ontwaken uit zijn droom gestorven is. Sinds zijn dood kan iedere fictie die mij leert wat niet-bestaan en toch bestaan is op mijn instemming rekenen. Ook Camerons luchtkwalletje is een avatar, het wordt bediend, door iemand die er niet meer is. En wat we verder ook hebben aan te merken op Camerons oerwoudbewoners, ze weten hoe ze moeten leven met hun doden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.