„Twintig jaar geleden was ik met een filmploeg in Cambodja om een voorlichtingsfilm te maken over Artsen zonder Grenzen, waar ik toen voor werkte.
Het werd een indrukwekkende reis door een land dat nog helemaal afgesloten was van de buitenwereld. Er was alleen een handjevol expats dat voor hulporganisaties en de VN werkte.
We bezochten tempeltjes die waren volgestapeld met tientallen schedels – allemaal van slachtoffers van Pol Pot. Het hele dorp liep uit als we kwamen kijken.
Toeristen waren er natuurlijk niet. Ook niet in het tempelcomplex Angkor Wat, waar we met z’n drieën (als enigen!) werden rondgeleid, na een huiveringwekkende reis in een vliegtuig waarin ook staanplaatsen waren.
De Cambodjaanse keuken was karig en drank was maar moeilijk te krijgen, al waren er soms merkwaardige verrassingen. Zoals die Mekong-whiskey op een feestje in een ziekenhuis. Ik ben er nog dagenlang ziek van geweest, want niet meedrinken was onwellevend.
In datzelfde ziekenhuis heb ik vermoedelijk hond gegeten, iets wat daar toen vrij gangbaar was. Als er in een restaurant al wijn te krijgen was, was het Monbazillac (zoete Franse dessertwijn uit het departement Dordogne). Overal in de hoofdstad Phnom Penh dook die Monbazillac op, en niks anders.
Ook in een restaurant op palen, een mooi oud koloniaal gebouw van hout aan een grote poel waarin het wemelde van de roodwangschildpadden. Zo heten ze dacht ik, van die grote groene waterschildpadden met rode wangen, die ik erg schattig vind – ik had ze als kind in een aquariumpje met zo’n palmboompje erin. We konden niet lezen wat er op de menukaart stond, dus bestelden we maar wat. De Monbazillac stond al op tafel toen mijn gerecht werd geserveerd. Het was zo’n schildpad op z’n rug, poten en kop er nog aan, de buik opengekliefd...”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.