*

 

Balkenende blij met ontzenuwen van 'hardnekkige geruchten'

Door: redactie − 12/01/10, 17:27

Premier Jan Peter Balkenende is blij dat de commissie-Davids een aantal „hardnekkige geruchten" over de vermeende Nederlandse betrokkenheid bij de inval in Irak „naar het rijk der fabelen" heeft verwezen.

  • Willibrord Davids, voorzitter van de commissie die onderzoek deed naar de Nederlandse besluitvorming om de Amerikaanse inval in Irak politiek te steunen, presenteert het rapport aan minister president Balkenende. (ANP)

Hij wees er in een eerste reactie op dat Nederland volgens de commissie geen actieve militaire steun heeft geleverd aan de Amerikaans-Britse inval in Irak of voorbereidingen daarvan. Ook zijn er geen F16-gevechtsvliegtuigen ingezet boven Noord-Irak en zijn er geen Nederlandse commando's in Irak geweest.

Ook heeft de commissie de suggestie weggenomen dat de Nederlandse politieke steun te maken had met de benoeming van toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Jaap de Hoop Scheffer tot NAVO-baas, aldus Balkenende. „De schaduw van twijfel is op deze punten weggenomen”, stelde hij.

Balkenende vindt dat de vraag of er voldoende mandaat was voor militair ingrijpen, altijd al „verschillend is beoordeeld”, onder meer onder wetenschappers en politici.

Hij benadrukte dat het toenmalige kabinet „zuiver en integer” de afweging heeft gemaakt dat een nieuwe VN-resolutie voor militair ingrijpen wenselijk was geweest, maar niet juridisch noodzakelijk. De commissie-Davids concludeerde dinsdag dat de VN-resolutie 1441 niet als een vrijbrief kon worden gezien voor met geweld ingrijpen.

De premier is het niet eens met de conclusie van de commissie-Davids dat het kabinet de Tweede Kamer onvolledig geïnformeerd zou hebben over het besluit de inval in Irak politiek te steunen. Balkenende zei dinsdag in een eerste reactie daarover „een ander beeld” te hebben.

Volgens de premier is de Kamer bijvoorbeeld wel degelijk ingelicht over onderdelen van het verzoek van de Verenigde Staten, van 15 november 2002, om te helpen in de planning van de opbouw van de militaire macht voor de inval in Irak. Daarbij noemde hij concreet twee momenten: 21 november en 6 december.

De Kamer zou volgens Balkenende alleen geen informatie hebben gekregen over een algemeen verzoek van de Amerikanen dat ook aan andere landen was gericht. Bovendien ging het volgens hem om vertrouwelijke informatie die niet openbaar gemaakt kon worden.

mailIcon print |