In Aboe Dhabi hing eind vorig jaar een man in de lucht. Persbureau Reuters verspreidde er een prachtige foto van die aanzette tot mijmeringen –over het aflopende decennium en over het nieuwe, en over Marco van Basten.
Te zeggen dat Josep Guardiola, de trainer van Barcelona en de man op de foto, na het winnen van de wereldbeker wordt gejonast door zijn spelers, doet het beeld geen recht. Zoals de spelers van Barcelona edeler voetballen dan anderen, zo jonassen ze ook. De foto krijgt daardoor bijbelse dimensies, met de gelukzalig naar hun trainer reikende spelers als apostelen. Maar tot hier en niet verder: vaak genoeg wordt Guardiola in de eendimensionale beeldvorming van de voetbalwereld al verheven omdat hij wel eens een gedicht leest, of een theater bezoekt.
Ik word gegrepen door het keurig dichtgeknoopte giletje onder zijn colbert en ik denk aan Marco van Basten, de laatste trainer van Ajax die een pak droeg.
Met hem, een aristocratische oud-topvoetballer als Guardiola, is het als trainer in het voorbije decennium níet gelukt. Hij bevond uiteindelijk zichzelf niet goed genoeg, na nog geen jaar bij Ajax. Maar Ajax heeft, zo wordt in dit seizoen van wéér een dreigende stagnatie bevestigd, ook gewoon niet zulke goede voetballers. Guardiola heeft die wel, en hij is de eerste om daarop te wijzen.
Niet dat daarmee alles vanzelf gaat. Spits Ibrahimovic vertelde onlangs in Voetbal International hoe nauwgezet er bij Barcelona wordt getraind. Maar zou Van Basten dat niet kunnen? Zou, anders gesteld, Guardiola met RKC niet degraderen, zoals Frank Rijkaard ooit met Sparta overkwam? Ibrahimovic, ex-Ajax, herinnerde zich óók dankbaar gesprekken met Van Basten, die toen –in het begin van deze eeuw– niet meer dan tweede trainer van Ajax 2 was. Waarmee gezegd mag zijn dat dát niveau elkaar altijd wel vindt.
De vraag wie of wat een goede trainer is, is leuk voor aan de toog. Maar bij gebrek aan een sluitende definitie –Hiddink met Rusland uitgeschakeld door Slovenië, Van Gaal elfde met AZ vóór het kampioensjaar– heb ik een sterke voorkeur voor stijl langs de lijn. Nu al knaagt het heimwee naar Van Basten: naar beschaving, zelfrelativering, incasseringsvermogen, naar de gepaste distantie die hij afdwong –ook érg aangenaam in het wereldje van lijntjes en lekken.
We zagen hem dit seizoen al eens terug op de perstribune van nota bene Ajax, en bij FC Utrecht-AZ. Dan maakt hij notities. Hij is lerende zoals wij allen, heeft Van Basten altijd gezegd, en ook als gebrandmerkte trainer is hij niet bevreesd om dat te tonen.
Onlangs trof ik hem in Hoenderloo, bij de oprichting van een voetbalacademie. De initiatiefnemer daarvan is Raymond Verheijen, een goed aangeschreven inspanningsfysioloog die niettemin ooit in Nederland hard is uitgelachen, als de zoveelste theoretische zwamneus. Een van de sprekers heette Ton van Rhoon, een naam die me vaag was bijgebleven uit een droogkomisch verslag in Hard Gras van Marcel van Roosmalen over het seizoen 2005-2006 van Vitesse. Van Rhoon was destijds de persoonlijke coach van trainer Sturing en ook daar werd smakelijk om gelachen –om de breedsprakige begeleider en om de sukkel van een trainer die zoiets nodig dacht te hebben.
Díe denktrant kent Marco van Basten niet. Over Verheijen sprak hij met respect. Hij was zonder aarzeling toegetreden tot diens raad van advies, maar hij was hier óók om te leren. Vooral het betoog van Van Rhoon had hij interessant gevonden. Dat was afgesloten met het motto van een voormalige Amerikaanse basketbalcoach: ’Het enige wat telt is wat je leert nadat je het allemaal weet.’ Dat prikkelt dus Neerlands een na beste voetballer ooit –daar schiet híj niet om in de lach.
Mocht hij een nieuwe poging wagen, dan wil hij beter beslagen ten ijs komen, zei Van Basten met een verfijnde zweem van een glimlach om zijn lippen.
Een terugkeer in het nieuwe decennium zij hem gegund –en ons.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.