De straten van Port-au-Prince op Haïti liggen nog vol lijken. Buitenlanders vrezen rellen, ’als de honger begint te knagen en het water opraakt’.
Het lijk ligt onder een wit laken met de Daltons en Suske en Wiske erop. De benen ver uiteen, een arm opengereten. Iets verderop nog een lichaam onder een pas gewassen laken.
„Ik wacht sinds gisteravond tot ze mijn man komen halen”, zegt een vrouw. Ze zit op haar hurken te wachten op een auto die waarschijnlijk niet zal komen. Ze is kalm, haar gezicht verraadt twee dagen slapeloosheid. „Waar moet ik naar toe? Mijn man is dood, mijn huis is kapot.” Ze huilt zelfs niet meer. Ze kijkt met doffe ogen voor zich uit, terwijl een stroom Haïtianen langs haar heen schuift.
Waar gaan ze naartoe? Een man heeft een bundel kleren op zijn hoofd gebonden. In zijn hand draagt hij gelakte schoenen. Een vrouw loopt met een wasmand op haar kop. Een klein chique handtasje ligt tussen de bloesjes. Veel voorbijgangers dragen een zakdoek voor hun mond, sommigen hebben een mondmaskertje. Er zijn al vele lijken geborgen, maar er liggen nog steeds lichamen langs de weg.
Huizen zijn scheefgezakt, balkons hangen in een grote boog, ramen zijn spleten geworden. „Zijn grootmoeder en zoontje liggen nog onder het puin”, vertelt iemand terwijl hij naar een woning wijst waar de verdiepingen op elkaar zijn gedrukt. Daar staart een man gelaten naar wat eens zijn woning was. Noch hij, noch zijn vrienden weten waar ze moeten beginnen om het puin te ruimen om de twee lichamen te kunnen bergen.
Overal bivakkeren families voor hun kapotte huizen. In plastic stoeltjes, een pot water op een vuurtje. Sommigen laten hun haar doen door de buurvrouw, anderen rouwen bij de betonnen puinhoop. Niemand durft binnen te blijven.
„Staat zijn naam op de lijst? Kunt u kijken, staat zijn naam op de lijst?” vraagt een overspannen Française aan de bewaker van het VN-gebouw. Het is ingestort en er wordt gevreesd dat er nog zo’n honderd lichamen onder het puin liggen. De honden van Chinese reddingsteams snuffelen naar menselijke geuren. Gisteren zijn twee slachtoffers gered.
„Hij staat niet op de lijst, dat is een goed teken. Maar waar is hij dan? Hij is sinds de beving spoorloos”, ratelt de Franse vrouw ten einde raad. „Ik kom hier morgen weer om te horen of iemand iets weet hem.”
Port-au-Prince staat er voorlopig alleen voor. De vliegtuigen met hulpgoederen en reddingsteams moeten uren boven de luchthaven cirkelen omdat ze door drukte niet kunnen landen. „De enigen die de hulpacties kunnen coördineren zijn de VN, en die hebben hun belangrijkste chefs verloren in de aardbeving”, zegt een Franse ontwikkelingswerker. „Op de overheid kunnen we niet rekenen, de president weet het al helemaal niet. Het ziet er heel somber uit.”
Langs de weg stopt een SUV. „Als ik jullie was, zou ik hier niet te lang blijven. De mensen zijn nu nog kalm, ze zijn verdoofd. Maar de komende dagen, als de honger begint te knagen en het tekort aan water nijpend wordt, dan zullen er rellen losbarsten. Ik hoop dat er snel buitenlandse troepen komen, want het zal er hier heet aan toegaan.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.