Hoe kan het dat een politicus die al meer dan zeven jaar in het Torentje huist op een cruciaal moment zo onprofessioneel optreedt? Het lukte premier Balkenende dinsdag niet met enige afstand naar het rapport-Davids te kijken.
Integendeel, hij besprong de kritische bevindingen van de onderzoekscommissie alsof hij persoonlijk in zijn eer was aangetast. Daardoor veroorzaakte hij een politiek ongeluk, dat het einde van zijn kabinet en het einde van zijn premierschap tot gevolg kan hebben.
Volgens zijn moeder wilde Jan Peter Balkenende toen hij in 2002 als premier aantrad ’een gids in dit barre land zijn’. Het probleem dat zij in haar moedertrots vermoedelijk over het hoofd zag, was dat zoonlief nog maar weinig politieke ervaring bezat. Na krap vier jaar Kamerlidmaatschap, waarvan minder dan een jaar fractievoorzitter, was hij voor Haagse begrippen nog nat achter de oren.
Willibrord Davids, de voorzitter van de onderzoekcommissie naar de kwestie-Irak, stipte de onervarenheid van Balkenende dinsdagochtend even aan als een soort van verzachtende omstandigheid. Hij wees erop dat de premier in zijn eerste regeringsjaar nog wel andere dingen aan zijn hoofd had dan alleen Irak. Zo moest hij de twee bakkeleiende LPF-ministers Heinsbroek en Bomhoff in toom houden en had hij te stellen met een opstandige prinses, Margarita. Daar kwam bij, voegde Davids er subtiel aan toe, dat ook het parlement het liet afweten. Irak was in die periode geen onderwerp van diepgaand debat. In het algemeen was de Nederlandse politiek in dat jaar meer met zichzelf bezig dan met buitenlandse politiek.
Reden genoeg dus voor Balkenende om met een zekere relativering de harde conclusies van Davids onder ogen te zien en, zoals de PvdA had gehoopt, met gepaste deemoedigheid te reageren. Davids had hem daartoe in zijn aanbiedingsspeechje een nog veel dwingender voorzet gegeven door te wijzen op de gevolgen van de inval van de Amerikanen en Britten in Irak: 4993 doden en talloze gewonden in 2009, waarmee het land thans ’misschien wel de onveiligste plek op aarde’ is. In ieder geval niet de rechtvaardige, welvarende en democratische samenleving die de invallers in 2002 zegden na te streven. Davids noemde dit ’het meest essentiële en diepliggende punt in het Irak-drama’. Maar de premier ging er in zijn reactie aan voorbij.
Joop den Uyl, PvdA-leider tussen 1967 en 1986 en vier jaar premier in het begin van de jaren zeventig, had de gewoonte in vertrouwelijk beraad met ambtenaren of partijgenoten in de derde persoon over zichzelf te spraken. Dat ging in de trant van: kan Den Uyl dit voor zijn rekening nemen? Op die manier schiep hij ruimte voor tegenspraak. Hetzelfde effect bereikt een politicus die in het openbaar een zekere relativering in zijn woorden legt. Enige afstand laat ruimte voor andere opvattingen en de spreker geeft ermee aan dat hij de aangesprokenen serieus neemt en tegelijk meester is van de situatie.
De politicus die dat durft, vertoont een kenmerk van natuurlijk leiderschap. Piet de Jong, premier tussen 1967 en 1971, was zo’n figuur. Het probleem van Balkenende is dat hij geen echte leider is, maar wel zo wil overkomen: vastberaden, daadkrachtig, duidelijk. Als een Nederlander met een VOC-mentaliteit. Alles wat zweemt naar zwakte werpt hij van zich af. Zo zei hij in 2004 op een partijbijeenkomst: „Niemand kan van mij zeggen dat ik ooit door de knieën ben gegaan”. Standvastigheid is mooi, maar kan doorslaan in stijfkoppigheid.
In plaats van een deemoedige Balkenende zag de natie afgelopen dinsdagmiddag een geharnaste Balkenende, die strijdlustig en bijna uitdagend verklaarde dat het dragen van verantwoordelijkheid ook de plicht tot verantwoording meebrengt. Daar liep hij niet voor weg, hij had destijds immers ’naar eer en geweten’ gehandeld en ’een zuivere en integere afweging’ gemaakt. Verkeerde taal op het verkeerde moment en een tikkeltje misplaatst na zeven jaar verzet tegen een reconstructie van de besluitvorming. De commissie-Davids trekt nergens in haar rapport de integriteit van hem of andere ministers uit die dagen in twijfel. Zij kritiseert de besluitvorming op een aantal cruciale punten en constateert lacunes in de informatievoorziening aan het parlement.
Door de kritiek zo sterk naar zich toe te trekken, verloor Balkenende uit het oog dat hij thans premier is van een ander kabinet met een andere politieke samenstelling. Dat is allerminst een eenvoudige positie, maar hij had het zich gemakkelijker gemaakt en het was professioneler geweest als hij een scheiding tussen persoon en functie had gemaakt. Nu trok hij zelf vuur aan in een politieke omgeving, die gemeten aan de gemiddelde Haagse toonhoogte verrassend piano op de uitkomsten van het onderzoek-Davids had gereageerd.
In dat opzicht deed Balkenende denken aan Dries van Agt, de eerste CDA-aanvoerder, die ook politieke zaken tot zijn hoogst eigen persoon kon herleiden, tot wilde woede van de PvdA die zich daarmee geen raad wist.
Het lijkt wel of de geschiedenis zich nu een beetje herhaalt, maar niet helemaal. Bij de gereformeerde Balkenende is niet zozeer zijn geweten in het geding zoals bij de roomse Van Agt, als wel zijn ponteneur. Hij heeft al vaker laten zien dat het hemd van het CDA hem nader is dan de rok van het premierschap, maar hier verwijderde hij zich nog verder van wat voor iemand in zijn functie staatkundig betamelijk is.
Het gevolg was dat het rapport-Davids dinsdag snel op de achtergrond raakte, tot verdriet en woede van de PvdA die haar opstelling tegenover de inval in Irak zag ondersteund. Bos maakte destijd een zwaar punt van het ontbreken van een volkenrechtelijk mandaat. Balkenende greep de verdeeldheid in de commissie-Davids aan om zijn gelijk te halen. Net als oud-ambassadeur Van Walsum wees hij erop dat bij een besluit tot militair geweld naast de juridische argumenten ook de internationale omstandigheden gewicht in de schaal leggen; in dit geval de vaste wil van de Amerikanen en Britten om de Iraakse dictator Saddam Hoessein met geweld uit het zadel te lichten.
Het was een wat vrije vertaling van het standpunt van Van Walsum, wat de indruk bevestigde dat Balkenende vooral oog had voor de strohalmen in het rapport en minder voor de ruimere context en de ernst van de bevindingen voor het verkeer tussen regering en Kamer. Een kat in het nauw maakt rare sprongen, twitterde het CDA-Kamerlid Algra dinsdagavond in het Fries, maar het was niet helemaal duidelijk of dat sloeg op zijn partijleider, die zich deze politiek non-existente titel op een achternamiddag heeft toegeëigend. Wie zichzelf tot leider uitroept, is het niet, zei Hans Wiegel ooit. Hij sprak uit ervaring. Toen hij in 1977 tot het kabinet-Van Agt toetrad als vicepremier, riep de nieuwe fractievoorzitter van de VVD, de gereformeerd opgevoede Koos Rietkerk, zich prompt uit tot partijleider – een vergissing zoals kort nadien bleek, toen Wiegel en de andere liberale ministers ondanks zijn oproep op te stappen gewoon bleven zitten.
Speelt ook Balkenende de gereformeerde geldingsdrang parten? In de jaren twintig zong de Rotterdamse volkszanger Koos Speenhoff over de gereformeerden: ’Gladde koppen, felle woorden; koud als staal en stug gezind; zedenrechters, mensenredders; onvervaard en onbemind’.
Het oud-CDA-Kamerlid Sytze Faber rekende het afgelopen weekeinde voor dat de vijf gereformeerde premiers die sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1918 optraden tezamen veertien kabinetten hebben geleid, waarvan er niet één de eindstreep haalde. De gemiddelde levensduur van deze kabinetten was slechts zestien maanden.
Deze statistieken deden Faber denken aan de reeks schisma’s op het gereformeerde kerkelijk erf. „Een sterk rationele, rechtlijnige geloofsopvatting met als keerzijde weinig gevoel voor relativering en een gebrekkig bindend vermogen”. De oud-parlementariër voorspelde op basis van deze waarnemingen dat het vierde kabinet-Balkenende de rit niet zal voltooien.
Misschien krijgt hij verrassend snel gelijk.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.