Filosoof Ger Groot, zelf een ’verburgerlijkte intellectueel van proletarische afkomst’, ziet genoeg redenen om de bewoners van stadswijken als Geuzenveld en de partij van Geert Wilders waarbij zij hun heil zoeken, ernstig te nemen.
Voor zover Amsterdam een grote stad is en een arbeidersklasse kent, ben ik afkomstig uit de arbeidersklasse van de grote stad. Mijn jeugd sleet ik in het Amsterdamse centrum, in een tijd waarin daar alleen nog conciërges, onderhoudspersoneel en armoede gehuisvest waren.
Toen de nieuwe klasse van urban professionals en cultuurdragers er kwam wonen, verhuisden mijn ouders naar de naoorlogse stadswijk Geuzenveld, nu een erkende probleemwijk. Zelf vertrok ik naar het buitenland: eerst Parijs, toen Madrid en ten slotte Brussel – intussen deel uitmakend van de kaste der academici en intellectuelen.
Ik werd buitenlander met de buitenlanders, zij het wel een tamelijk luxe soort buitenlander. Ik werd een vreemde in mijn familie, waarin tot in verre graden van verwantschap nog niemand ooit had gestudeerd. En ook in mijn nieuwe milieus werd ik een buitenbeentje, want ’niet van hier’, ’niet van onze taal’, ’niet van onze cultuur en afkomst’: ’niet van onze soort’.
Ik ben dus, waar het scheidslijnen en de overschrijding daarvan betreft, een soort ervaringsdeskundige. En daarmee ook een specialist in het gevoel van misplaatstheid, ontheemding en in het opwindende besef de plaats die ik inneem geheel zélf te hebben veroverd. Ik ben gevestigd geraakt, heb mij tot op zekere hoogte als establishment ontpopt, ben misschien wel bourgeois geworden – maar altijd met de geheime angel in het vlees niettemin een verstekeling te zijn gebleven wiens ware identiteit op het punt staat te worden ontmaskerd: de verborgen angst van iedere homo novus of nouveau riche.
Iemand wordt wat hij is door het overschrijden van grenzen, op dezelfde manier waarop een samenleving slechts levend blijft doordat zij haar muren doordringbaar houdt.
Zolang de buitengrenzen van een cultuurgebied blijven waar ze liggen, is er over het algemeen niet zoveel aan de hand. Hachelijker wordt het wanneer die grens gaat schuiven: hetzij door verovering of door migratie. Dan wordt de grens als het ware verdubbeld. Ze blijft nog lang liggen waar ze ligt (zelfs de grenzen van wat wij nu als Europa beschouwen vallen nog grotendeels samen met wat tijdens de Middeleeuwen onder de ’westerse christenheid’ werd verstaan). Tegelijk stuwt ze met de fysieke mensenverplaatsing zichzelf op naar het hart van het vreemde gebied om juist daarin haar felste strijd te strijden. Daar horen ook de nodige muren bij die het nieuwe frontgebied fysiek afbakenen: zichtbare muren zoals die in Berlijn of de Palestijnse gebieden, onzichtbare muren zoals die in het Amsterdamse Geuzenveld.
Het materiaal waaruit deze muren zijn opgetrokken is bekend: een mengsel van zwakke economische én culturele status, en dientengevolge een sterke hechting aan de identiteit: aan datgene wat je bent. Daarvan kun je in het precaire bestaan tenminste zeker zijn. Cultuur, verleden en afkomst zijn vluchtheuvels van veiligheid in een te druk cultureel-economisch verkeer. Juist daar waar de buitengrens van het Europese cultuurgebied plotseling zéér nabij gekomen is (in de buurtwinkels, op de markten, op straat en bij de buren), worden de muren van afkeer en onbegrip het hoogst, het ongemakkelijkst en het verwoestendst opgetrokken.
Waar de autochtonen zich beroepen op het recht van de grond (wij waren er het eerst, dit is óns land, ónze buurt), beroepen de allochtonen zich op het mensenrecht van het behoud van eigenheid: óók in deze ’vreemde’ buurt. Opmerkelijk genoeg is de basis van dit argument voor beide groepen hetzelfde.
Ik leg nadruk op deze parallel, omdat de wrijving te vaak wordt uitgevochten in termen van ’het gelijk’. Maar ’gelijk’ hebben beide partijen in vrijwel dezelfde mate. De cultureel-economische dreiging en hun penibele situatie daarin verschillen nauwelijks, en de dubbele dynamiek van versterking van identiteit én scheidslijn verloopt in beide gevallen dan ook langs vrijwel identieke lijnen. Je zou daarin, met een wat groter gevoel voor het literaire, iets authentiek tragisch kunnen zien.
Hier staan twee kampen tegenover elkaar die dezelfde strijd te strijden hebben – maar door het lot gedwongen vechten zij die uit tégen elkaar, in plaats van gezamenlijk de muur te bestormen die hen daadwerkelijk buiten houdt. Dat is de muur van een maatschappij die nog altijd heimelijk haar verdeling van klassen, afkomst en rijkdom koestert – hoe trots zij zichzelf ook tooit met het democratische sieraad van de gelijke kansen.
De clash of civilisations die het huidige openbare debat zo heftig bezighoudt speelt zich feitelijk af binnen een zeer bepaald compartiment van de samenleving. Wrang genoeg blijft de collatoral damage daarvan dus ook grotendeels tot dat compartiment beperkt, terwijl het hart van de cultuur (en de macht, en het geld) voor de ongemakken daarvan gespaard blijft. Wat plaatsvindt in stadswijken als Geuzenveld is in het centrum hoogstens hoorbaar als distant rumble.
Ik wil inzoomen op de partij in dit conflict die mij nastaat en die in werkelijk alle opzichten lijkt te verliezen: niet alleen territoriaal, fysiek, economisch en symbolisch, maar zelfs op het vlak van prestige, of – laten we het met een oude moraalconceptie maar zo noemen – op het vlak van haar eer.
Ik doel op de bevolkingsgroep die in het zeventiende- en achttiende-eeuwse Amsterdam de ’Bijltjes’ heetten, toen geconcentreerd op de Oostelijke Eilanden, bij de scheepswerven van de VOC (de plaats waar enkele eeuwen later mijn vader geboren zou worden). Die eilanden konden hermetisch met bruggen worden afgesloten ter bescherming van de rijke grachtengordel. Het was een redelijk effectieve muur die de ene stand beschermde tegen de andere en deze buiten haar territorium hield, ook al ontkwamen de herenhuizen daardoor niet altijd aan opstand en plundering.
Tegenwoordig wonen de Bijltjes in naoorlogse buitenwijken als Geuzenveld-Slotermeer. Het zijn deze autochtonen die zich in de frontlinie zien staan tegenover een immigratie die zij niet anders kunnen zien dan als een invasie – al was het maar omdat het in hun wijken inderdaad een invasie geworden is. Zij zijn de zwakken, relatief marginalen die (althans in vergelijking met hun landgenoten) de zwaarste last te dragen kregen van een sociaal-economische ontwikkeling die het land als noodzakelijk beschouwde. Intussen verdween het profijt daarvan grotendeels naar elders – inderdaad: naar die andere wijken die zij altijd al wantrouwden en door wie zij zich nu wederom bedrogen en miskend wisten.
Van verachting wisten zij van oudsher alles al af: het was de grondtoon van de wijze waarop zij sinds generaties werden bejegend. En van misdeling misschien ook wel – zelfs al vielen er vanaf de jaren zestig steeds meer kruimels van de rijke tafels in hun richting. Nu bleken zij opnieuw te kunnen worden ingezet als het front dat de directe slagen van de economische noodzaak en demografische verschuiving te verduren kreeg. Zij ervoeren die aan den lijve in hun eigen buurt en straat. Niet dat zij aanvankelijk onwillig waren, want ’slechte mensen’ waren zij níet. Maar zulk een massieve grensverschuiving verloopt niet zonder problemen – en al helemaal niet voor mensen die zelfs geen vermoeden hadden van de kosmopolitische blik die anderen zich met zoveel comfortabeler gemak konden veroorloven.
Zij ergerden zich, ten onrechte én terecht. In beide gevallen werd hun ergernis niet gehoord. Het kosmopolitisme van degenen bij wie zij hun beklag deden wenste in de nieuwe situatie immers alleen een verrijking te zien: de rijkdom van de bonte en vrolijke veelheid van culturen. En inderdaad plukten zíj van die rijkdom ook de meeste vruchten: cultureel, maar ook in klinkende munt.
Is dit een eenzijdige, schematische weergave van de werkelijkheid? Ongetwijfeld. Maar zonder een zeker schematisme krijgen we geen zicht op de diepe ironie die dit strijdvlak de afgelopen decennia gekenmerkt heeft. Want juist deze Bijltjes kregen te horen dat zij het waren die de hoogste scheidsmuren opwierpen. Zij moesten hun wrok, ontsteltenis en ongemak overwinnen om te kunnen genieten van het ’andere’ waarin het centrum zozeer het goede voorbeeld gaf. Dat de twee bevolkingsgroepen wat positie betreft onderling nauwelijks vergelijkbaar waren, werd hoogstens mondjesmaat toegegeven maar nooit aanvaard als doorslaggevend argument.
Intussen nam in de wijken het gemor niet af. Het werd scherper, organiseerde zich, en liet zich daarbij ongetwijfeld niet altijd van zijn aanminnigste kant horen. ’Correct’ waren de Bijltjes nu eenmaal nooit geweest, en hun nazaten waren dat evenmin. Zij zeiden wat ze dachten, in even directe als onbehouwen bewoordingen, en dat was niet altijd even gelukkig. Daarmee werden zij pas werkelijk ’slechte mensen’. Zij lieten zich kennen als het uitschot dat in de geschiedenis al eerder catastrofes had veroorzaakt – en daarvan kennelijk maar niet leren wilde. Zij werden het democratisch afval waartegen je je hygiënisch in acht moest nemen, want het besmettingsgevaar was groot en gevaarlijk.
De democratie trok haar bruggen op, zoals ooit de Amsterdamse regenten de bruggen optrokken tegen de Bijltjes.
Had het centrum – met zijn macht, betamelijkheid en geruststellende grootste gelijk van de wereld – in zijn afkeer dan geen gelijk?
Ongetwijfeld had het dat, althans tot op zekere hoogte. Want bepaald aangenaam was het allemaal niet, wat er vanuit het perifere ongenoegen uitgestort werd over het maatschappelijke en politieke debat. Gewiekst, gepolitourd en voorzien van een fluwelen tong waren de Bijltjes nu eenmaal nooit geweest. Maar in het centrum won de smetvrees het té snel van de politieke prudentie. Het centrum wenste deze onverdraagzaamheid niet te tolereren, en zeer zeker had het daarvoor de juridische, morele, kosmopolitische en historische argumenten gemakkelijk paraat. Het won, op alle fronten. En het was opnieuw de periferie die verloor, nu verafschuwd als niet alleen de slechtheid die met verachting samengaat, maar zelfs verdoemd als het Absolute Kwaad. En als zíj het Kwaad niet waren, dan toch wel hun leiders.
De scheidsmuur werd er alleen maar hoger door. In plaats van althans nog serieus genomen te worden, werden de onmensen uit de wijken nu onder het patronage gesteld van een klasse die niet alleen beter zei te denken, maar zich ook pedagogisch opwierp als degene die voor hen zou denken. Het ware inzicht in de werkelijkheid kwam immers nog altijd deze klasse toe. Wie anders dacht, moest dus wel onjuist denken, en door de voorhoede van het inzicht onder de vleugels worden genomen.
Hierin toonde zich de politiek-morele nuffigheid van een centrum dat op zijn beurt ongeweten (en ongetwijfeld ongewild) kwaadaardig werd. Het trok hogere muren op dan sinds lang in de samenleving hebben bestaan, precies onder de banier van de democratie en gelijkheid die zo graag met iedere muur zou willen afrekenen.
En toen gebeurde er iets onverwachts.
Nooit, zo meende Nederland, zou het land der Oranjes kunnen afzakken tot het politieke peil ten zuiden van de grens, van Vlaanderen dat van oudsher al een louche bijklank had. Vlaanderen was tenslotte altijd al nationalistisch geweest (in Nederland een ongunstig woord), altijd al behept met een geheime hang naar het bruine (de IJzerbedevaart werd elk jaar weer met ironie in de Nederlandse media verslagen), en het was diep geworteld in een katholicisme dat voor elke rechtgeaarde Hollander garant staat voor vuige troebelheid en karakterzwakte. Vandaar, wist Nederland, de enorme aanhang voor het Vlaams Blok.
Die Nederlandse superioriteit werd ruw verstoord door de komst van Pim Fortuyn en zijn volgelingen. De consternatie was groot. Binnen Nederland omdat het zich plotseling beschaamd moest realiseren in werkelijkheid níet veilig en onaantastbaar te zijn. En daarbuiten omdat het land van schoolvoorbeeld van verlichte tolerantie plotseling was veranderd in een schoolvoorbeeld van rabiate intolerantie.
Nu was die perceptie altijd al onjuist geweest. Om te beginnen kende Nederland geen stemplicht, en een land als België wel. Dat betekende dat de 20 tot 30 procent stemgerechtigden die in Nederland rustig konden thuisblijven (en dat ook deden) in België hoe dan ook hun stem moesten uitbrengen. Precies dat betrof grotendeels het segment dat het vertrouwen verloren had in de politiek, en dus al snel tot een proteststem geneigd was. Had ook Nederland nog altijd stemplicht gehad, dan was ook daar het ongenoegen ongetwijfeld veel sneller electoraal zichtbaar geworden. Het had het land behoed voor de dromen van zuiverheid waarin het zich jarenlang kon koesteren.
Maar er was niet eens een stemplicht voor nodig om ook in dit zuivere Nederland het geluid hoorbaar te maken dat zich zo lang wrokkig aan de politiek onttrokken had. Het succes van Pim Fortuyn en zijn dramatische dood maakten duidelijk dat het imago van het tolerante, verlichte Nederland altijd al een fata morgana was geweest.
Wie de gebaande paden enigszins verliet zag een veel traditionelere samenleving dan de mythe voor waar wilde hebben. Hij zag een land met een politieke partij die vrouwen nog altijd de actieve participatie ontzegt, met familiefeestjes waarop (ook in de jongere generaties) de geslachten zich volgens een rigide apartheid slechts met elkáár bezighouden, en met een hardnekkig geloof in de eigen deugdzaamheid.
Nederland is een land zo barstensvol chauvinisme dat het oprecht meent door geen volk in de wereld te kunnen worden overtroffen – om te beginnen in antichauvinisme.
De gerichtheid op het eigene was de Nederlander altijd al heimelijk een tweede natuur geweest; nu kon dat ook openlijk. En inderdaad heeft het land zich sinds 2002 nog sterker in zichzelf opgesloten, met een bijna volledig verlies aan interesse voor wat buiten de grenzen gebeurt. De afkeer van het Europese project, dat met de afwijzing van de Europese Grondwet zichtbaar werd, is daarvan één symptoom. De almaar slinkende aandacht voor buitenlands nieuws in vrijwel alle media een ander.
Ook het lang gekoesterde multiculturele ideaal was in werkelijkheid niet meer dan een fata morgana. Wie de grachtengordel zou hebben verlaten en het Amsterdamse Geuzenveld had bezocht, had kunnen weten dat de zaken al veel langer tamelijk scherp lagen.
In 2002 bleek het politiek niet langer realistisch dit massieve geluid uit het volk te negeren: aan regeringsdeelname van de LPF viel niet te ontkomen. Lang duurde dat niet. Al aan het einde van het jaar viel het kabinet en verloor de LPF de politieke macht die ze aan eigen interne ruzies had verkwanseld. Zij zou daar nooit meer van herstellen, en hief zichzelf enkele jaren later op, teruggebracht tot een splinterpartij die het uiteindelijk zelfs zonder parlementaire vertegenwoordiging stellen moest.
Ben ik daar tevreden over? Ik moet bekennen dat ik er grote tweeslachtigheid bij voel. Noch de figuur van Fortuyn (laat staan het zootje ongeregeld waaruit zijn partijtop bestond), noch latere volgelingen als Rita Verdonk of Geert Wilders zijn mij ook maar in de minste mate sympathiek.
Maar zelfs Voltaires apocriefe uitspraak over politieke tolerantie gaat mij hierbij niet ver genoeg. Het is niet alleen legitiem, het is zelfs wenselijk dat zich in de politiek een denken en voelen uitspreekt dat een maatschappelijke realiteit is, maar vanuit het maatschappelijke centrum als zodanig liefst wordt ontkend.
Dat Wilders deel zou kunnen uitmaken van een volgende Nederlandse regering (of daarin zelfs premier zou kunnen worden) lijkt mij onwaarschijnlijk, gezien de politieke overeenstemming die in Nederland nu eenmaal voor iedere regeringscoalitie nodig is. Maar niets zou zo onverstandig zijn als om die onmogelijkheid reeds bij voorbaat te proclameren. Niet alleen omdat je daarmee een dergelijke partij helpen zou, maar vooral omdat je de democratische plicht hebt deze partij en vooral haar kiezers serieus te nemen. Je moet je ervan bewust zijn dat ook dáár wel iets van waarheid te vinden is – hoe klein misschien ook.
Het behoort, met andere woorden, tot het politieke fatsoen iedere kiezer en iedere partij op gelijke voet van zakelijkheid te behandelen. Geen enkel excuus haalt dit grondfeit weg. Niet de angst daarmee op een hellend vlak te komen en zo te worden ’aangestoken’ met het kwaad, waarin zich de oorspronkelijke smetvrees weer toont. En evenmin de merkwaardige gedachte dat je daarmee de partij zou belonen. Wil zij salonfühig worden, láát haar dan – want in de salon van het politieke debat vindt uiteindelijk de democratie haar beslag. De angst dat hierbij alleen een slinkse achterbaksheid in het spel zou zijn, die de macht wil veroveren om daarna haar ware gelaat te tonen, getuigt van wel érg weinig vertrouwen in het eigen politieke doorzicht en weerstandsvermogen.
Ik denk dat je van de bewoners van stadswijken als Geuzenveld niet kunt eisen dat zij zich schikken in het fraaie discours van het ’centrum’ waarin zij allang niet meer kunnen geloven. Ik denk dat zij, en ook de partij waarbij zij hun heil zoeken, ernstig moeten worden genomen. Het respect dat wij hen verschuldigd zijn eist dat. Het eist evenzeer dat wij hun standpunten zo ernstig nemen dat wij daarmee en daartegen in gesprek gaan: weerspreken wat weersproken moet worden en beamen wat verdiend te worden beaamd, omdat het waar en werkelijk is. Geen imaginair excuus van ’hellend vlak’ mag ons daarvan weerhouden. Tenslotte is iedere politiek een hellend vlak, en is de helling misschien wel het wezen van de politiek – zo niet van de menselijke conditie tout court.
Ik zal nooit een aanhanger van Geert Wilders worden. Ik woon niet in Geuzenveld. Ik ben een verburgerlijkte intellectueel van proletarische afkomst. Die twee houd ik graag met elkaar in gesprek en ik weet me daarin verplicht aan mijn beide roepingen: die jegens de staat én aan de familie. Ik ben centrum én periferie – en daarin een afbeelding van wat, naar mijn overtuiging, de politieke gemeenschap, ja zelfs het politieke geweten, moet zijn.
Dat levert een ongemakkelijk geheel op vol spanning, woede en weerzin. Daaraan ontkomen we niet als we politieke wezens willen blijven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.