Iran behandelt zijn godsdienstige minderheden zoals een tuinman snel groeiende bomen. Omkappen hoeft niet, maar een geregelde snoeibeurt is nodig, want anders worden die bomen te groot. Het bewijs? De behandeling van de bahai’s.
Iran doet binnenkort voor de zoveelste keer bij de Verenigde Naties een examen waarvoor het gedoemd is te zakken. Het regime in Teheran is nu eenmaal geen grootmeester op het gebied van de mensenrechten – ook al betuigde het onlangs warme steun aan de opstandelingen in Egypte, in een periode waarin Iran zelf begon met het ophangen van eigen Iraanse demonstranten die in de zomer van 2009 betoogden tegen de volgens hen vervalste presidentsverkiezingen.
Tot de mensenrechten behoort volgens de VN ook godsdienstvrijheid. Het is al veel langer een twistappel tussen het Iraanse regime en de internationale gemeenschap. Een jaar geleden aanvaardde het regime in Teheran 123 aanbevelingen voor hervormingen ter verbetering van de mensenrechten, gedaan door tientallen landen via de mensenrechtenraad van de VN. Binnenkort krijgt Iran een soort tussenrapport (UPR, Universal Periodical Review). Daarin zal duidelijk worden hoever Iran is gevorderd met de uitvoering van de 123 aanbevelingen, waarmee het zelf heeft ingestemd.
Veel ervan hebben te maken met godsdienstvrijheid. Een religieuze groep die erg lijdt onder het gebrek aan godsdienstvrijheid in Iran, zijn de bahai’s. Zij hebben al een voorschot genomen op het UPR-tussenrapport en zijn nagegaan wat er is terechtgekomen van de aanbevelingen die op henzelf betrekking hebben. Hun conclusie: er is geen enkele verbetering opgetreden.
De situatie in Iran staat niet op zichzelf. Midden-Oosterse en andere islamitische regimes behandelen hun godsdienstige minderheden zoals een tuinman snel groeiende bomen. Omkappen hoeft niet, maar een geregelde snoeibeurt is wel nodig, want anders worden die bomen te groot.
Christenen mogen in de meeste Midden-Oosterse landen hun kerkdiensten houden, maar volgens de heersende logica is het even vanzelfsprekend dat ze geen bekeringswerk mogen verrichten. Ze moeten wel hun plaats weten. Zoals moslims op hun beurt moeten begrijpen dat ze niet het recht hebben om hun geloof in te ruilen voor een ander. Dan gelden ze als geloofsafvalligen en verdienen ze volgens de islamitische shariawet zelfs de doodstraf.
In Midden-Oosterse optiek is dat alles niet in strijd met de godsdienstvrijheid. Godsdienstvrijheid is in de logica van de islamitische wereld prima, maar dat betekent nog niet dat alle godsdiensten een gelijkwaardige behandeling verdienen. In Iran bestaat er voor de autoriteiten nog een vanzelfsprekendheid: het bahaigeloof mag niet meegenieten van de beperkte godsdienstvrijheid van andere religieuze minderheden. In het land zijn behalve de islam drie godsdiensten toegestaan: christendom, jodendom en de oude Perzische godsdienst van de zoroasters. Dat staat in de Iraanse grondwet. Andere godsdiensten zijn in Iran verboden.
Het ayatollahregime beroept zich op de islamitische shariawet. Het heeft nog een reden, eveneens gebaseerd op de sharia, om de bahai’s de status van een erkende religie te misgunnen: het bahaigeloof geldt als een 19de-eeuwse afsplitsing van de islam. De bahai’s zijn daarom geloofsafvalligen, zelfs als ze als bahai zijn geboren. Bahai’s zien zich niet als afvalligen. Ze trekken een vergelijking met de relatie tussen christendom en jodendom. Zoals het eerste uit het laatste is voortgekomen, zo heeft het bahaïsme vergelijkbare wortels in de islam.
Het blijft interessant dat Iran over dit soort zaken praat met de buitenwereld. Het ayatollahregime vertoont veel contactgestoord gedrag maar hunkert ook naar respect. Het weet dat het, om er internationaal bij te mogen horen, het beginsel van godsdienstvrijheid op zijn minst lippendienst moet bewijzen.
Om tegelijk de praktijk van onderdrukking in stand te kunnen houden, ontwikkelde het regime inventieve redeneringen. Halverwege de jaren negentig deelde Iran aan de speciale rapporteur van de VN over het bahaïsme mee: ’de bahai’s zijn geen godsdienstige minderheid maar een politieke organisatie.’ Het lijkt op wat de PVV schrijft over de islam in het partijprogramma ’De agenda van hoop en optimisme’: ’De islam is vooral een politieke ideologie en kan dus op geen enkele manier aanspraak maken op de voorrechten van een godsdienst.’
De bahai’s wijken op essentiĆ«le punten af van de orthodoxe islam. Opvallende vernieuwingen van de bahai’s betroffen de status van de vrouw (volledige gelijkheid met de man) en de bestuursstructuur.
Die laatste is anders dan in de sjiitische islam, het milieu waarin het bahaïsme is ontstaan. In de sjiitische islam bestaat een hiĆ«rarchische geestelijkheid met aan de top grootayatollahs. De bahai’s kennen geen geestelijkheid, ze hebben raden. In 180 landen buiten Iran bestaan nog steeds zulke bahairaden, in Iran zelf niet meer. In 1983 riep het regime de bahai’s op hun raden te ontmantelen. Dat betekende het einde van de Nationale Spirituele Assemblee.
De bahai’s hielden voortaan hun godsdienstoefeningen bij de gelovigen thuis. Wel vormden ze informele raden. Het regime tolereerde die, maar verklaarde in 2009 ineens alle organisatieactiviteiten van de bahai’s onwettig. Zeven nationale leiders van de bahai’s moesten terechtstaan op beschuldigingen, die in het ergste geval de doodstraf hadden kunnen opleveren.
De rechtsgang speelde zich voornamelijk in het verborgene af. Ook toen het proces officieel openbaar werd verklaard, kreeg de pers nog steeds geen toegang. De rechtbank liet in zijn vonnis in augustus 2010 de ergste beschuldiging vallen: ’het zaaien van verderf op aarde’.
Er bleef nog genoeg over om de bahaileiders tot twintig jaar te veroordelen. In hoger beroep gingen daar tien jaar vanaf, omdat het hof het onbewezen achtte dat de verdachten de nationale veiligheid in gevaar hadden gebracht. De overgebleven tien jaar die ze wel moeten uitzitten, hebben ze te danken aan hun godsdienstige organisatorische activiteiten.
Veel maatregelen tegen de bahai’s zijn terug te voeren op een geheim memorandum uit 1993, waarin het regime zijn politiek tegenover de bahai’s formuleert. Het basisprincipe is dat de bahai’s zo min mogelijk de kans moeten krijgen om zich maatschappelijk te ontwikkelen. Zo krijgen zij geen toegang tot hoger onderwijs. Ze hebben daarop inventief gereageerd door een systeem van universitair onderwijs via internet op te zetten. Verder zijn allerlei banen voor bahai’s taboe en misschien moeten ook recente brandstichtingen in winkels van bahai’s in dat licht worden bezien. Het zijn de methodes waarmee de ’Iraanse tuinman’ momenteel het snoeimes hanteert en onwelgevallige religies in hun ontwikkeling beknot.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.